Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Beenvisschen (Teleostei). Zij onderscheiden zich vooral door hun dikwijls fantastische lichaamsvorm, de wapening van de huid met schilden of stekels, en de samengroeiïng van de bovenkaaksbeenderen, waaraan de naam van deze groep is ontleend. Het skelet is onvolkomen verbeend en bezit slechts weinig wervels; de mond- en de kieuwspleet zijn nauw. Tot deze groep behooren slechts twee familiën.

I. Sclerodermi (Hoornvisschen). Daartoe behooren zeevisschen van matige of geringe grootte, die in de tropische zeeën algemeen voorkomen, in hoogere breedten echter zeldzamer. Zij bezitten een eenigszins vooruitstekenden snuit, terwijl de kaken met een klein aantal duidelijke tanden zijn bewapend. De Sclerodermen kunnen in drie natuurlijke groepen worden ingedeeld: A. Triacanthina met kleine ruwe schubachtige schilden bedekt en een stekelige rugvin met 4-6 stralen. Hiertoe behooren de geslachten Triacanthodes, Eollardia en Triacanthus, met slechts enkele soorten. B. Balistina, met samengedrukt lichaam, met bewegelijke schilden bedekte of ruwe huid, met een stekelige rugvin met 2—3 stralen. Hiertoe behooren: 1. het geslacht Balistes, in tropische en subtropische zeeën inheemsch met 30 soorten. Twee soorten B. maculaius en B. capriscus, algemeen in den Atlantischen Oceaan, worden dikwijls op de Britsche kust gevangen. 2. het geslacht Monacanthus met dezelfde verspreiding als het vorige, maar met nog meer soorten (50). 3. het geslacht Anacanihus, dat zich door het bezit van een voeldraad aan de onderkaak onderscheidt. C. Ostraciontina (Koffervisschen) met een hard, samenhangend huidpantscr, bestaand uit zeshoekige, mozaïeksgewijze naast elkander liggende schilden. De koffervisschen zijn wel bekend. Een 20 tal soorten komen in tropische en halftropische zeeën voor.

II. Gymnodontes (Naakttanden). De daartoe behoorende visschen hebben tot een snavel vergroeide boven- en onderkaak met snijdende randen, zonder tanden met of zonder naad in het midden. De rugvin is steeds week. Zij leven alle in dezelfde zeeën als de Sclerodermen, behalve enkele soorten welke in zoetwater leven. Ook deze familie kan in drie groepen gesplitst worden en wel: A. Triodontina. Deze bezitten een afzonderlijke staartvin, de buik kan tot een zeer grooten zak worden uitgerekt. Slechts een enkel geslacht is bekend Triodon bursarius uit den Indischen Oceaan. B. Tetrodontina (Kogelvisschm), met duidelijken staart en staartvin, een spijsverteringskanaal, dat gedeeltelijk zeer wijd uitgerekt en met lucht gevuld kan worden. Zij hebben een kort dik, rolvormig lichaam met goed ontwikkelde vinnen; de huid is dik, schubloos, waarin stekels van verschillende grootten zijn geplant. Door het opblazen van hun lichaam kunnen zij een meer of mjnder kogelachtigen vorm aannemen. Al deze visschen staan slecht bekend wegens hun dikwijls zeer vergiftige eigenschappen, die den dood kunnen veroorzaken. De meest bekende soorten zijn: 1°. Tetrodm met middennaad in boven- en onderkaak, komt in 60 soorten buitengemeen talrijk voor. Vele zijn prachtig met vlekken en banden geteekend. Enkele soorten leven in groote rivieren als T. psittacus in Brazilië, T. fahaka zeer bekend in den Nijl, en andere westafrikaansche rivieren en T. fluviatüis uit het brakkewater en rivieren in Indië. 2°. Diodon met kaken zonder middennaad, met een 17 tal soorten, in den tropi-

schen atlantischen zoowel als den indischen en stillen oceaan verspreid. Hiertoe behooren de Maanvisschen (Orthagoriscus) pelagische visschen, die over alle Oceanen tot in de gematigde zonen verspreid, worden aangetroffen. Het lichaam heeft een zeer eigenaardigen vorm, is als het ware een klomp, en ondergaat na de geboorte zeer merkwaardige veranderingen. Twee soorten zijn bekend, de evengenoemde Maanvisch, die zeer groet kan worden, nl. tot 2.40 M. met 400 K.G. gewicht; zeer enkele malen strandt zij op onze kust of wordt zij in de trawlnetten gevangen; en verder Orthagoriscus truncatus, welke in tegenstelling met de eerste een gladde huid heeft, maar uiterst zeldzaam wordt gevangen.

Vasto, een distriktshoofdstad in de Italiaansche provincie Chieti, ligt aan de Adriatische Zee en aan den spoorweg Ancona—Foggia, bezit een kleine, Gotische kathedraal, een stadhuis met een verzameling van Romeinsche oudheden, een technische school en een gedenkteeken van den dichter Gabriele Rosetti en telt (1901) 10 090 inwoners, die zich met olijfbouw, vischvangst en handel beoefenen. Ook bezit de plaats koek- en lucif erf abrieken.

Vast-Ricouard is de gemeenschappelijke schuilnaam van twee Fransche romanschrijvers: Raoul Vast, geboren den 20stel1 Mei 1850 te Parijs, en Georges Ricouard, geboren den 2den November 1853 te Bordeaux. Als volgelingen van Zola, publiceerden zij „Claire Aubertin" (1878) met de vervolgen: „Madame Bécart" (1879) en „Tripot" (1880), waarin zij de Parijsche zonden beschrijven. Verder verschenen o. a.: „Seraphin et Cie" (1880), „Vieille garde (1881), „Jeune garde" (1882), „La belle Héritière" (1883), „Vierge" (1884), „Monsieur de Frontignac" (1885), „La femme de chambre" (1886), „Madame Lavernon" (1887) enz. Vast overleed in 1889 te Parijs, Ricouard aldaar in 1887.

Vat is een inhoudsmaat, die vroeger niet overal dezelfde waarde bezat. Bij ons was zij voor wijn verdeeld in 4 okshoofden en gelijk aan 931,34 L. Voor olie was zij verdeeld in 717 mengelen en gelijk aan 869,5 L. Tegenwoordig rekent men een vat op een H. L.

Vaten noemt men de in het midden eenigszins buikige tonnen, vervaardigd van hout of, in welk geval zij zuiver cylindervormig zijn, van ijzerblik. Een houten vat bestaat uit duigen, lange, piatte, in het midden een weinig verbreede en gebogen strooken hout, en uit twee bodems, die het vat van onder en van boven afsluiten, waartoe zij door middel van houten hoepels of ijzeren banden, welke ook de duigen bijeen houden, worden vastgeklemd in een inkeping van deze laatste, kim geheeten. In één van de duigen is het spon/jat aangebracht, waardoor het vat kan worden gevuld, en dat door een houten stop, de spon, kan worden afgesloten. Bovendien bevindt zich in één der beide bodems, dicht bij den rand, het tapgat, met een tap of kurk afgesloten en waarin de kraan bevestigd wordt om het vat af te tappen, terwijl diametraal daartegenover zich een kleinere opening bevindt, afgesloten door een houten pen, waardoor bij het tappen de lucht kan toetreden en het vocht uitvloeien. De hoepels bestaan uit een taaie houtsoort (wilgen-, berken- enz. hout); de banden zijn van bandijzer.

Sluiten