Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

broeder van den voorgaande, geboren den 15den Mei 1869 te Parijs, was medewerker aan verschillende dagbladen en tijdschriften, zooals de „Revue blanche", „Revue bleue" „l'Illustration", „Journal", „Echo de Paris" enz., en schreef een aantal blijspelen, romans en humoristische vertellingen vol fijne ironie. Van zijn romans noemen wij: „Les enfants s'amusent" (met Willy, 1894), „Vons m'en direz tant!" (met Tristan Bernurd, 1894), „Une passade" (met Willy, 1895), „L'ami de la maison" (1899) en

„Amour, amour " (1900). Voor het tooneel

schreef hij o. a.: „Dixans après" (met L. Muhlfeld, 1897), „Que Suzanne n' en sache rien" (1899), „Ma fée" (met Svulié, 1901), ,,L' amourette" (1905), „Loute" (1906), zijn beste werk, „Florette et Patapon" (met Hennequin, 1906) en het zedenspel „Les grands" (met Basset, 1909). Zeer bekend is hij ook als schouwburgcriticus van de Parijsche uitgave van den „New-York Herald."

Vechel, een gemeente in de provincie NoordBrabant, 3952 H. A. groot met (1910) 6200 inwoners, wordt begrensd door de gemeenten Schijndel, Dinter, Uden, Erp, Lieshout en Sint Oedenrode. De bodem bestaat hoofdzakelijk uit diluviaal zand, langs de A vindt men klei. De voornaamste bezigheden zijn landbouw, veeteelt en eenige nijverheid. Tot de gemeente behooren de dorpen Vechel en Seitaart, een deel van het dorp Eerde, benevens een aantal buurten.

Het dorp Vechel ligt aan de A en heeft een haven, die naar de Zuid-Willemsvaart voert. Over de A en over de Zuid-Willemsvaart liggen spoorwegbruggen. De voornaamste gebouwen zijn: het gemeentehuis, de Roomsch-Katholieke kerk, de Hervormde kerk en het Liefdehuis. Het Huis te Vechel werd in 1810 gesloopt. Vechel ligt aan den NoordBrabantsch-Duitschen spoorweg en aan de tramlijnen van 's Hertogenbosch naar Helmond en St. Oedenrode naar Oss.

Vecht, Overijselsche, is een rivier, die ten N. van Osterwick in den kreits Koesfeld der Pruisische provincie Westfalen ontspringt, aan de westelijke helling van de hoogten bij Schoppingen en Billerbeck, uit welken bergrug meer zuidelijk de Berkel en oostelijk de Steinfurter Aa ontstaat, welke laatste bij Haddrup in de Vecht uitmondt. De Vecht stroomt eerst in N. en vervolgens in W. richting met tallooze kronkelingen, door een diluviaal dal, dat zij met alluviale klei heeft aangevuld, voorbij Nordhom, Emblicheim en Laar, beneden welke laatstgenoemde plaats zij het Nederlandsche grondgebied betreedt. Hier Btroomt zij verder in W. richting voorbij Gramsbergen, Ommen en Dalfsen en vereenigt zich tusschen Hasselt en Zwolle met het Zwarte water. In den bovenloop wordt de Vecht op verschillende plaatsen opgestuwd tot het drijven van molens, tot bevloeiingen in het belang der scheepvaart. Bij hoogen waterstand wordt zij benedenwaarts bevaren tot bij Nordhorn door kleine schepen. Haar lengte bedraagt op Duitsch gebied 95, op Nederlandsch 87,5 km., haar stroomgebied beslaat een oppervlakte van ongeveer 8420Ö H. A. Van den mond tot boven Dalfsen is de Vecht bedijkt, doch de dijken liggen zeer onregelmatig, zoodat hun onderlinge afstand verschilt van 80 m. (bij Vechterweerd) tot 1 000 m. (bij de monding). Haar voornaamste zijrivieren zijn de Dinkel, die ten deele

over Nederlandsch gebied loopt en beneden Neuenliaus in de Vecht valt, en de Regge, die weer de Almeloosche Aa opneemt en zich Lbeneden Ommen met de Vecht vereenigt.

Vecht, Utrechtsche, thans een gekanaliseerde rivier, was zeer waarschijnlijk oorspronkelijk een der beide armen, waarin zich de Kromme Rijn (zie Rijn) in de nabijheid der stad Utrecht splitste. Voordat de Rijn bij Wijk bij Duurstede werd afgedamd, voerde de Vecht grootendeels Rijnwater afen daarmede slib, dat langs haar oevers een breede strook rivierklei deed ontstaan. Na dien tijd onderging de rivier op verschillende plaatsen vergravingen en bedijkingen, terwijl zij door het graven van den Vaartschen Rijn (zie aldaar) opnieuw water uit den Rijn ontving. In 1674 werd zij bij Muiden door een sluis afgesloten, in 1875 werd bij Nieuwersluis een sluis in de Vecht gebouwd voor militaire inundatiën. In Utrecht ontvangt zij door de Weerdsluis o.a. het water van Vaartschen en Krommen Rijn. Zij vormt het hoofdwater van den Vechtboezem, waarop een gebied van ongeveer 32 000 H. A. afwatert, heeft een afwisselende breedte van 13—115 m. en werd reeds in oude tijden druk bevaren. Vooral als onderdeel van de Keulsche Vaart (zie aldaar) was zij voor de scheepvaart van veel belang. Daarbij vond men in de 18ae eeuw langs haar oevers tal van buitens, waar de rijke Amsterdamsche kooplieden des zomers verblijf hielden, terwijl men er thans nog een aantal flinke, hoewel rustige dorpen aantreft.

Vechtvisch (Betta pugnax). Zie Labyrintvisschen (Labyrinthici).

Vector of Radius vector. Zie Voerstraal.

Vectoranalyse is de door Hamilton en Graszmann opgestelde rekenmethode met factoren. Vooral in de nieuwere, wiskundige natuurkunde vindt zij uitgebreide toepassing. Zij hangt samen met de geometrische voorstelling der getallen (zie Com-plexe getallen) en berust o. a. hierop, dat men in een parallelogram den van een hoekpunt uitgaanden diagonaal kan opvatten als de meetkundige som van de van hetzelfde hoekpunt uitgaande zijden en zijn oppervlakte als een meetkundig product dezer zijden.

Veda noemt men het oudste deel van de Indische letterkunde, dat zich door taal en inhoud aanmerkelijk van de latere Sanskrietliteratuur onderscheidt. De Veda (heilige wetenschap) bestaat uit drie trappen, de Mantra (heilige spreuken), Brahmaria (godgeleerdheid) en Soetra (draad of band), welke men in de vier deelen der Veda, Rik, Saman, Jadsjoes en Atharvan, telkens terugvindt. De Mantra, ook Samhita (verzameling) geheeten, het oudste deel, bevat lofzangen en spreuken, meest met betrekking tot godsdienstige plechtigheden; sommige daarvan zijn afkomstig uit overouden tijd. In de Brahniana wordt het verband van de offerliederen met de offeranden behandeld en de geheime beteekenis daarvan verklaard, waarbij een aantal legenden worden verhaald. Wijsgeerige beschouwingen vindt men in die gedeelten van de Brahmana, die den naam van Oepanisjad dragen. De Soetra eindelijk omvatten een stelselmatig geheel van de kerkelijke, uitlegkundige en overgeleverde stellingen der Brahmanen ; zij onderscheiden zich door een buitengewone bondigheid en beknoptheid in de wijze van uitdruk-

Sluiten