Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

king. Men heeft de Kalpa-Soelra of Craoeta-Soetra, die enkel over offerplechtigheden handelen, en de Smdrta-Soetra, waarbij het huiselijk en het burgerlijk leven geregeld wordt. De laatste worden verdeeld in Grihja-Soetra, welke de huiselijke plechtigheden bij geboorte, huwelijk, dood en begrafenis omvatten en de Dhdrma-Soetra, die de beginselen van een Indische rechtsleer inhouden. Bij deze werken sluiten zich verder andere verklarende geschriften aan, die bijv. uitspraak, metrum, taalkunde, etymologie en astronomie behandelen. Hiervan zijn de Nighantavas, een verzameling uitleggingen met den ouden commentaar van de Jüska, en de Prdtifdkhja met opmerkingen over uitspraak, klemtoon enz. van de heilige teksten de belangrijkste.

De Samhita van het deel Rik (Rigveda) bevat de liederen, die de Indiërs in hun woonplaatsen aan den Indus en in Pendsjaab hebben vervaardigd. De oudste hymnen klimmen op tot in de 15de eeuw v. Chr. Zij is verdeeld in 10 Mandala (Kringen) met 1017 lofzangen (Soekta) in 10 580 verzen (Mk). De afzonderlijke Mandala worden aan enkele families toegeschreven; alleen de lste, 8ste, 9dc en 10de bevatten liederen van zangers van andere geslachten. In elke Mandala zijn de hymnen gerangschikt naar de godheden, welke zij verheerlijken, vooreerst Agni, dan lndra enz. Het 9de boek bevat enkel liederen, gewijd aan Soma. De verzen der Rigveda behelzen de oudste berichten over de geschiedkundige en maatschappelijke betrekkingen der Indiërs. Men heeft daarop een belangrijken commentaar van Sajana uit de 14de eeuw n. Chr. (o. a. uitgegeven door M, Muller, 2ae druk, 4 dln., 1890). Tot de Rigveda behooren het Aitareja—Brahmana (uitgegeven door Haugh, 2 dln., 1863) en het Kausjitaki Brahmana (uitgegeven door Lindner, 1887), tot de Soetra het „Agvaldjana-Soetra (in de „Bibliotheca India" van 1864—1874) en het Qdnkhajana-Soetra, benevens het zeer belangrijke „Praticakhja-Soetra van Caunaka (uitgegeven door M. Muller, 1869). De Samhitfi, der Sdmaveda is een bloemlezing uit die der Rigveda en levert de verzen, welke bij de offeranden aan Soma werden gezongen. Saman beteekent een naar muziek gecadenceerd vers, en strikt genomen is de Saman eerder een verzameling melodieën dan een verzameling verzen /uitgegeven door Benfey in 1848; verder in de „Bibliotheca Indica", 5 dln., 1874—1878). De Jadsjoerveda bevat spreuken in poëzie en spreuken in proza voor de offerplechtigheden en zijn ons in verschillende redacties bekend. De belangrijkste zijn de Maitrdjani-Samhild (uitgegeven door Von Schröder, 4 dln., 1881—1886), de Kathaka (dl. 1 uitgegeven door Von Schröder, 1900) en de Taittirija-Samhild (uitgegeven door Weber, 1871— 1872), die tezamen ook de Zwarte Jadsjoerveda genoemd worden, en de Vadsjasaneji-Samhitd, die ook Witte Jadsjoerveda wordt genoemd (uitgegeven door Weber, 1852). Van groot belang is de Qatapatha-Brdhmana bij den Witten Jadsjoes; zij is door omvang en inhoud de belangrijkste van alle Brahmana en merkwaardig door haar verband met de latere epische poëzie der Indiërs (uitgegeven door Weber, 1855). De Samhita van de Atharvaveda bevat in 20 boeken (kanda) ongeveer 760 lofzangen met nagenoeg 6 000 verzen¬

waarvan een vijfdedeel afkomstig is uit de Riksamhita, meestal tooverformulieren, verwenschingen, bezweringen van booze geesten, spreuken en allerlei zaken uit het dagelijksch leven (uitgegeven door Roth en Whitney, 1855—1856). De gcheele Vedaletterkunde, die waarschijnlijk reeds in de 6de eeuw v. Chr. gesloten was, is ongetwijfeld geruimen tijd enkel door mondelinge overlevering bewaard gebleven. Op welk tijdstip zij het eerst in schrift is gebracht, kan men tegenwoordig niet met zekerheid bepalen, maar ongetwijfeld is zij na dien tijd onveranderd aan de nakomelingschap overgeleverd. Ook nu nog vindt men Brahmanen, die een geheele Veda (Samhita, Brithmana en Soetra) van buiten kennen. Ook de wijze van voordracht is tot in de kleinste bijzonderheden getrouw overgeleverd.

Vedantastelsel. Zie Indische wijsbegeerte.

Vedel is de naam van een vroeger strafwerktuig voor soldaten. Het bestond uit een plank, die door insnijdingen aan den hals en de polsgewrichten van dengene, die gestraft werd, werd bevestigd en gedurende eenige uren rondgedragen moest worden. Een zoogenaamde dubbele vedel werd dikwijls gebruikt om twee twistende soldatenvrouwen te straffen.

Vedellus, Nicolaas, een Nederlandsch godgeleerde. geboren in 1596 te Hegenhausen in de Palts, studeerde te Heidelberg, verkreeg er in 1617 het doctoraat in de wijsbegeerte en begaf zich vervolgens naar Genève, waar hij weldra tot hoogleeraar werd benoemd. Nadat hij een dergelijke betrekking te Lausanne had van de hand gewezen, werd bij in 1630 professor in de godgeleerdheid en in de Hebreeuwsche taal te Deventer en in 1639 in de wijsbegeerte te Franeker, waar hij zijn ambt aanvaardde met een redevoering: „De concordia Mosis et Araonis". Hij overleed aldaar den 26aten September 1642. Hij schreef een aantal godgeleerde geschriften in het Latijn en in het Fransch. In het Nederlandsch schreef hij o. a.: „Macht der overheid in kerkelijke zaken" (1662).

Vederdistel. Zie Cirsium.

Vederen of Veeren vormen de huidbedekking der vogels en bestaan uit twee deelen, de as en de vlag. Aan de eerste onderscheidt men de spoel, een ronde, doorschijnende, holle, hoornachtige buis en de eigenlijke schacht, gevuld met een wit, droog, zeer licht merg. In de spoel heeft men een vliezig vaatwerk, de zoogenaamde ziel, die uit in elkander geschoven trechtertjes of blaasjes bestaat, van boven eindigt in een buis, maar aan de benedenzijde verbonden is met de huid, zoodat de veer daaruit voedsel kan ontvangen. De schacht is aan beide zijden met uiterst fijne, evenwijdige takken of baarden bezet. Het geheel van deze takken noemt men de vlag, die aan beide zijden gelijk of ongelijk van grootte kan wezen, naar gelang van de plaats, waar de veer op de huid is ingeplant. Men onderscheidt de veeren in contourveeren en donsveeren. De takken van de eerste zijn bezet met baardjes, die voor de eene helft voorzien zijn van haakvormig omgebogen haartjes, welke zich vasthechten aan de haartjes van een daar naast gelegen baard zoodat iedere vlag een samenhangend geheel vormt. Bij de donsvederen, waarvan de as zeer dun en buigzaam is, zijn de haakjes afwezig en vormt de vlag dus niet één

XV

29

Sluiten