Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te beperken. Van 1814 tot 1842 verkeerde het fonds in een goeden staat, de oprichting van de veeartsenijschool te Utrecht werd daaruit bekostigd, terwijl in 1840 werd besloten, dat er niet alleen vergoeding zou worden toegekend voor dieren, die tengevolge van de pest moesten worden afgemaakt, maar ook wegens miltvuur, kwade droes en longziekte. In 1842 werd het geheele fonds verbruikt tot bestrijding van de longziekte. Tot 1865 was het dientengevolge met het veeartsenijkundig staatstoezicht in ons land feitelijk gedaan. In dat jaar echter richtte de veepest, die van uit Engeland naar ons land was overgebracht, vreeselijke verwoestingen aan, zoodat een noodwet werd gemaakt, waarbij aan den koning volmacht werd gegeven maatregelen tot bestrijding van de ziekte te nemen, voorloopig voor een jaar, welke volmacht echter tot 1870 werd verlengd. In dat jaar kwam de wet tot regeling van het veeartsenijkundig staatstoezicht tot stand. Later werden er nog verschillende nieuwe veterinaire wetten en besluiten uitgevaardigd, zoo in 1874 de wet tot regeling van de uitoefening der veeartsenijkunde, die tot regeling van het onderwijs en van de voorwaarden ter verkrijging van het diploma van veearts, in 1875 de wet houdende bepalingen betreffende de veeartsenijkundige politie ten opzichte van paarden van het leger en die op de hondsdolheid, in 1878 de wst met bijzondere bepalingen tot beteugeling der longziekte in bepaalde deelen van het land, het ontsmettingsregulatief van 1885 enz. Tot het gebied van de veeartsenijkundige politie behooren ook de bepalingen omtrent in-, uit- en doorvoer van vee, terwijl de rijksserumininrichting (zie Semminrichting, Rijks) mede is opgericht om de uitbreiding van veeziekten tegen te gaan.

Veeartsenijkundig: staatstoezicht. Zie Veeartsenijkundige politie.

Veegens, Dirk Jacobus, een Nederlandsch letterkundige, geboren te Haarlem den 29aten April 1798, studeerde te Leiden in de letteren en aanvaardde na zijn candidaatsexamen in 1819 het praeceptoraat in zijn geboortestad. In 1825 werd hij praeceptor te Amsterdam, verwierf in 1839 den doctorstitel, werd in 1846 benoemd tot rector en overleed den 24®ten Januari 1861. Hij schreef; „Handwoordenboek der Romeinsche oudheden" (1838), „Haarlemsche vertellingen uit den ouden tijd" (1850) en „Levensbericht van den admiraal Rijk" in de Handelingen der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde. Ook was hij met professor Blume redacteur van „De Indische Bij."

Veegens, Daniël, geboren te Haarlem den 21sten Mei 1800, was eerst redacteur van de Staatscourant en sedert 1847 griffier van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Hij schreef: „Leven van Johan Maurits van Nassau" (1840), en „Levens van beroemde staatslieden" (1845, 3de druk, 1857), alsmede tal van geschiedkundige bijdragen in tijdschriften en jaarboekjes en leverde een verkorting der „Bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers door N. G. van Kampen" (3 stukken, 1847, 2de druk, 1859). Na zijn overlijden werden een aantal opstellen van zijn hand door zijn zoon uitgegeven onder den titel: „Historische studiën" (2 deelen 1884). Meermalen trad hij op als spreker in den letterkundigen kring: „Oefening kweekt kennis". De academische senaat te Leiden ver¬

leende hem eershalve het doctoraat in de rechten en die te Utrecht dat in de letteren. Hij was commandeur in de orde van den Nederlandschen Leeuw en officier van de Eikenkroon en overleed te 's Gravenhage den 18den April 1884.

Veegens, Jacób Dirk, zoon van den voorgaande, geboren te 's Gravenhage den 22BUn Januari 1845, studeerde in de rechten en werd vervolgens redacteur van „Het Vaderland", in welke betrekking hij tot 1872 werkzaam bleef. Daarna werd hij procureur te Brielle, in Mei 1874 procureur bij de rechtbank te 's Gravenhage en in 1881, in de plaats van zijn vader, griffier van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Zijn dissertatie was getiteld: „De banken van leening in Noord-Nederland tot het einde der achttiende eeuw" (1869). Van 1888 tot 1901 was hij lid der Tweede Kamer; in 1905 tót 1908 had hij zitting in het kabinet de Meester en was hij belast met de portefeuille voor Landbouw, Nijverheid en Handel. In 1890 was hij lid der Commissie voor de arbeids-enquête, ook was hij lid der Staatscommissie voor de droogmaking der Zuiderzee. Na de groote spoorwegstaking in 1903 werd hij benoemd tot voorzitter van de Enquête-commissie naar de toestanden bij het spoorwegpersoneel en in 1904 en 1905 had hij zitting in den Raad van toezicht op de spoorwegdiensten. Hij overleed den 278ten December 1910 te 's Gravenhage. Van zijn geschriften noemen wij: „Hoe George een man werd", een voor de jeugd bestemd overzicht van onze staatsinstellingen (1881), een bewerking van „Beginselen van staathuishoudkunde" van De Lavelye (1883), „De Fransche omwenteling" (1889), „Het auteursrecht volgens de Nederlandsche wetgeving" (1895), „Nederland en de Berner Conventie" (1898), „Schets van het Nederlandsch burgerlijk recht" (2 dln., 1898—1909), „De wet op het faillissement en de surséance van betaling, gevolgd door de invoeringswet" (4de druk, 1909). Bovendien schreef hij in „De Gids" en was hij van 1892 tot 1900 hoofdredacteur van de „Vragen des tijds", waarin talrijke artikelen van zijn hand verschenen.

Veelgodendom. Zie Polytheïsme.

Veelhoek of Polygoon is de naam van een vlakke, gesloten figuur, die men verkrijgt, wanneer

men in een plat vlak een reeks van punten a, b,

m, n (de hoeken van den veelhoek) aaneemt en elk van deze punten met het volgende en het laatste met het eerste door telkens één rechte lijn (de zijden van den veelhoek) verbindt. Elke veelhoek heeft evenveel hoeken als zijden. Wij bepalen ons hier tot veelhoeken, waarvan de zijden alleen de hoekpunten en geen andere punten met elkander gemeen hebben. De door de zijden ingesloten hoeken noemt men de hoeken van den veelhoek. Bij een zeshoek (zie de fig.) bedraagt hun som, zooals blijkt door den zeshoek met behulp van diagonalen uit één hoekpunt, bijv. a, in 4 driehoeken te verdeelen (6—2)xl80°; algemeen dus bij een n- hoek (n- 2) x 180°. Een diagonaal is daarbij een lijn, welke twee niet opeenvolgende hoekpunten verbindt. Van uit één hoekpunt kan men in een zeshoek blijkbaar 3=6 — 3 diagonalen trekken. Uit alle 6 de hoekpunten dus 6 X (6—3). Nu is echter iedere diagonaal dubbel geteld, zoodat hun aantal

6 x ^—— bedraagt. Op overeenkomstige wijze

Sluiten