Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren oorzaak, dat de veemgerichten zich ver over de grenzen van Westfalen uitbreidden. Sedert het midden der 14de eeuw had men overal in Duitschland leden van het veemgericht, die elkander door bepaalde teekens herkenden en bereid waren, de indagingen aan de betichte personen over te brengen en de vonnissen te voltrekken. Ieder vrije man uit een wettig huwelijk en van onbesproken naam kon in dien bond worden opgenomen. Ook vele vorsten behoorden tot de leden, en in 1429 deed zich zelfs keizer Sigismund onder hen (de .,Wetenden") opnemen. Ieder lid toch droeg den naam van Wetende (Scitus of Vemenotus) of van Vrijschepen van het Heilige Eoomsche Rijk. De vrijstoel of de plaats, waar het gericht vergaderde, was doorgaans een heuvel of een andere algemeen bekende en voor ieder toegankelijke plek. De aanzienlijkste vrijstoel, om die reden ook wel „Keizers-" of „Koningskamer" geheeten, bevond zich te Dortmund. De beschermheer van het gerecht droeg den naam van stoelheer en was dikwijls een wereldlijk of geestelijk vorst. Op hem volgden in rang de vrijgraven, door den stoelheer uit de vrijschepenen voor levenslang gekozen. De opperstoelheer en vertegenwoordiger des keizers was de aartsbisschop van Keulen als hertog van Westfalen. De opneming onder de wetenden geschiedde voor een vrijstoel op den rooden grond eii ging met verschillende plechtigheden gepaard. Op de laagste trap onder de wetenden bevonden zich de vroonboden, die aan de bevelen der vrijgraven moesten gehoorzamen en de orde handhaven. Ook zij waren tot de strengste geheimhouding verplicht. De voorrechten van den vrijschepen waren daarin gelegen, dat hij zich op de Westfaalsche rechtbank kon beroepen, dat aan zijn woorden grooter geloofwaardigheid werd toegekend dan aan die der niet-wetenden en dat hij als aanklager of aangeklaagde toegang had tot de geheime zitting, alsmede tot de kapittelvergaderingen, waarih de Bond over zijn belangen beraadslaagde.

De loop der zaken was bij het veemgericht een dergelijke als bij alle overige oud-Duitsche rechtbanken. De vrijstoelen en de rechtsdagen waren algemeen bekend, de zittingen hadden plaats bij dag, en ieder vrije man kon er verschijnen. De schepenen en de vrijgaven namen plaats op een bank; vóór hen stond een tafel, waarop zich een zwaard en een van wilgentwijgen gevlochten strop bevonden, en achter hen bevond zich de vroonvoogd. Alleen dan, wanneer de openbare zitting in een geheime veranderd werd, moesten alle nietwetenden zich verwijderen. Wegens het groot aantal vrijschepenen onderscheidde zich echter de geheime zitting slechts weinig van de openbare. Alleen een vrijschepen kon als aanklager optreden. In de eerste plaats werd onderzocht, of de aanklacht betrekking had op een zaak, die „Veemvroge" was, dat is voor het veemgericht behoorde te worden behandeld. Het veemgericht toch bemoeide zich met alle misdrijven, waarop de doodstraf was gesteld. In zoodanig geval werd tot den beschuldigde een oproeping gericht en door een vrijgraaf bezegeld. Men stelde den termijn volgens het gewone Saksische recht op 6 weken en 3 dagen, maar een wetende had recht op een tot driemaal herhaalde oproeping. Alleen de wetende werd voor het geheime gerecht gedaagd, de niet-wetende in de eerste

plaats voor de openbare zitting en slechts voor het geval, dat hij aan deze oproeping geen gehoor gaf, voor de geheime. De oproepingsbrief werd gewoonlijk niet aan den aangeklaagde in persoon overhandigd, maar aan zijn huis vastgehecht, waarna men drie splinters als waarmerken terugbracht aan het veemgericht. Voor de behandeling der zaak hield men zich stipt aan de van ouds gebruikelijke formaliteiten. Verscheen de beschuldigde en bekende hij het misdrijf, dan werd het doodvonnis uitgesproken en hij aanstonds opgeknoopt. Loochende de aangeklaagde het misdrijf, dan moesten er bewijzen worden aangevoerd. Verscheen de beschuldiger niet, dan werd de beschuldigde vrijgesproken. Bleef de beschuldigde weg, dan werd hij veroordeeld. Het uitgesproken vonnis werd in geschrift aan den beschuldigde ter hand gesteld, en daarin was het verzoek aan alle vrijschepenen opgesloten, den aanklager bij het voltrekken van het vonnis behulpzaam te wezen. Meestal werd het vonnis geheim gehouden. Daarenboven gold de aan het oud-Saksische recht ontleende bepaling, dat een misdadiger, op heeter daad betrapt, terstond gestraft kon worden. Men verstond daaronder niet alleen het geval, dat de dader bij het plegen van de misdaad gevat werd, maar ook dat hij onder zulke omstandigheden gegrepen werd, dat er geenerlei twijfel omtrent zijn schuld overbleef, en verder ook het geval, dat hij zijn misdrijf onbewimpeld beleed. Waren bij een dezer gevallen drie schepenen tegenwoordig, dan konden zij den misdadiger zonder verder proces grijpen en ter dood brengen. De gewone doodstraf was die door middel van den strop, waarbij een boom tot galg diende. In dezen boom staken de schepenen hun dolk, met de letters S. S. G. G. (= Strick, Stein, Gras, Grün), de geheime letters van de vrijschepenen, geteekend.

Misbruik van macht kon bij deze manier van rechtspraak natuurlijk niet uitblijven; reeds in de eerste helft der 15de eeuw werden voorbeelden daarvan gevonden en in de tweede helft namen zij sterk toe. Hierdoor en door het invoeren van een betere rechtsbedeeling van regeeringswege kwamen de veemgerichten meer en meer in verval. De rechtsvorderingen van keizer Maximiliaan en de gestrenge maatregelen van de verschillende Duitsche vorsten, die voortdurend meer macht kregen, droegen veel bij tot afschaffing van het veemgericht, dat in de 16de eeuw alleen in Westfalen was in stand gebleven, maar ook daar weldra zijn macht en beteekenis verloor. Op sommige plaatsen bleven zij als een oude instelling met verouderde vormen bestaan, totdat koning Jerdme ook deze laatste overblijfselen uit den weg ruimde. De laatste vrijgraaf (Engelhardt) overleed te Wörl in 1835.

Veen (zie de plaat) is het produkt van het verkolingsproces der planten. Wanneer afgestorven planten voor den invloed van lucht en vochtigheid toegankelijk zijn, gaan zij spoedig tot ontbinding over en ontstaat er bij voldoend hooge temperatuur humus; is daarentegen de toevoer van lucht beperkt, dan treedt een verkolingsproces in, waarbij vooral koolzuur en moerasgas ontwijken, het watergehalte toeneemt en het overblijvende produkt rijker aan koolstof wordt, en wel des te sterker, naarmate het proces langer duurt. Dit overblijvende produkt noemt men veen (Gotisch fani = slib, Oud-Hoogduitsch fenne, Middel-Nederlandsch

Sluiten