Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

venne), of als er een lange reeks van eeuwen verloopen is steenkool (zie aldaar) of bruinkool, bij wier ontstaan wel is waar nog geheel andere factoren een rol spelen, dan bij de veenvorming. Hoewel de samenstelling niet overal gelijk is, kan men toch aannemen, dat veen gemiddeld bevat: 59,3% koolstof, 5,4% waterstof en 35,3% zuurstof.

Soorten. Hoewel de veenvorming niet aan een bepaalde plantensoort is gebonden, bezit in vele gevallen een veenlaag door structuur en samenstelling eigenschappen, welke door bepaalde plantensoorten veroorzaakt worden. Zoowel de aard der planten, als de hydrografische omstandigheden, waaronder zij leefden, heeft verschillende veensoorten doen ontstaan. Gewoonlijk onderscheidt men, mede in verband met haar eigenschappen, zooals koolstofgehalte en structuur der veenstoïïen: hoogveen, laagveen en moerasveen, welk laatste als overgangsvorm tusschen de beide andere is te beschouwen.

Hoogveen. De hoofdkenmerken van het hoogveen zijn: de ondergrond ligt zóó hoog boven het omringende water, dat er geen eigenlijke waterplanten groeien; na het afgraven blijft een droge bodem (dalgrond geheeten) over; het is, afgezien van de onderste deelen, gelaagd en vertoont nog vele eigenaardigheden van de planten, waaruit het is ontstaan; de voornaamste planten (zie de plaat), waaruit het is ontstaan, zijn dopheide, struikheide, wolgras, veenbies en veenmos, ook wel wilde gerst en somtijds ook boomen; de ontleding heeft plaats onder gedeeltelijke afsluiting der lucht door de vochtigheid der veenstoffen; de oppervlakte is meestal zachtoploopend; terwijl het veen aan de kanten met belten of koppen (kleine heuveltjes, dikwijls met vrij steile kanten, ontstaan door het groepsgewijze groeien der struikheide), is bedekt, vertoont het midden moorken of kattekoppen (meer afgeronde en grootere plekken dan de belten, gevormd door dopheide, wolgras en veenbies); de oppervlakte van het veen is veelal met heide begroeid; de ondergrond bestaat uit diluviaal zand, grint of uit laagveen.

Als voornaamste eigenschappen van het laagveen vallen te noemen: de ondergrond ligt beneden den gemiddelden waterspiegel, zoodat het veen uit water- en moerasplanten is ontstaan; na uitbaggering van het veen blijft een waterplas over; de veenstof is meer brijachtig en structuurloos en heeft de eigenschappen der planten niet bewaard; het koolstofgehalte is grooter dan bij hoogveen; de voornaamste planten (zie de platen) zijn fonteinkruid, plompen, scheren, lischdodden, kalmoes, riet, sekgras, somtijds ook eenig houtgewas; de oppervlakte is effen en vormt bij voldoenden ouderdom een aaneengesloten zode, met sekgras, drieblad en andere planten begroeid.

Ontstaan. Hierbij treedt duidelijk het onderscheid tusschen de verschillende veensoorten aan den dag, zoodat deze afzonderlijk besproken moeten worden.

Wat het ontstaan der hoogvenen betreft, is dus in de eerste plaats noodig een bodem, waarop de genoemde planten kunnen groeien en in de tweede plaats een hooge graad van vochtigheid van den bodem, hetzij als gevolg van een slechte afwatering der oppervlakte door den (kom) vorm van het terrein, hetzij door slecht doordringbare lagen (bijv.

van leem) in den ondergrond. Op zulke plekken, bijv. met heide bedekt, is niet eens een groote mate van vochtigheid noodig om veenvorming te doen ontstaan. Eerst groeit er struikheide en wel in dichte boschjes bijeen, waardoor de belten ontstaan ; de afgestorven planten gaan niet tot verrotting over, maar vormen een laag, die het water tot zekeren graad opslorpt en vasthoudt, waardoor de veenvorming bevorderd wordt, en om de eenmaal gevormde kern van veen gaan de afgestorven planten, welke er op groeiden, alsmede die langs den rand, weldra in veen over. Terwijl de veenvorming zich steeds verder uitbreidt, en de veenlaag dus voortdurend grooter en ook dikker wordt, moet zij een bolle oppervlakte aannemen, want de dikte wordt natuurlijk het grootst boven de oude kern. De omringende grond wordt steeds vochtiger, en als de veenlaag een zekere dikte be reikt heeft, bevat zij zelfs zoo veel vocht, dat de struikheide er niet verder op kan tieren en alleen nog maar aan de randen voorkomt, terwijl zij op het veen haar plaats heeft moeten inruimen voor de dopheide. Maar op den duur wordt het gevormde veen ook nog de dopheide te nat; dan wordt deze vervangen door het wolgras, terwijl in de poelen aan de oppervlakte, waar ook voor het wolgras de vochtigheid te groot is, het veenmos welig tiert. Is dus de veenvorming eenmaal begonnen, dan zal zij onder gunstige omstandigheden zich langzamerhand naar alle zijden uitbreiden, daar het eenmaal gevormde veen zichzelf voldoende vochtigheid voor verdere uitbreiding schept. Ontmoet zij op haar weg een bosch, dan kan zij ook hier een zeer geschikt terrein voor uitbreiding vinden, daar het bladerdak de verdamping tegenhoudt en dus de vochtigheid verhoogt. Zoo moet het bosch eenmaal zichzelf begraven. Ook kan de veenvorming in het bosch op vochtige plekken een aanvang nemen en zich verder naar buiten voortzetten. In beide gevallen vindt men in het veen de overblijfselen van boomen, somtijds van geheele bosschen, die op het veen groeiden en door storm geveld werden, toen het veen dikker werd. Dit half vergane hout wordt kienhout genoemd en is meest afkomstig van berken, dennen en eiken, doch ook van elzen en hazelaar. Bosschen bevorderen dus wel de veenvorming, maar zijn daartoe geen hoofdvereischte, zooals vroeger, o. a. door Staring, werd aangenomen,

De dikte der veenlagen is zeer verschillend, meestal 3—5 m. doch bij Emmen wel 10 m. Omgekeerd vindt men hier en daar op de heiden veen van 0,3—0,5 m., dat als zoden afgestoken, gedroogd en als brandstof gebruikt wordt.

Laagveen ontstaat uit de waterplanten, welke in ondiepe meren en plassen groeien. Voor het groeien der planten is noodig, dat het water niet te veel in beweging wordt gebracht door golfslag of strooming. Alleen ondiepe plassen (niet dieper dan '/« m.) kunnen met waterplanten geheel begroeid worden, diepere alleen (zooals bijv. in Friesland), als hun oppervlakte klein is; is de oppervlakte aanzienlijk, dan zal de plantengroei alleen langs de oevers en vooral in inhammen optreden. De waterplanten sterven nu jaarlijks af en zakken langzaam naar den bodem. Het ontledingsproces is reeds boven het water begonnen en zet zich als verveningsproces onder water voort. De zwarte koolstofrijkere deelen zinken en vermeerderen de plantenmod-

Sluiten