Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het onder den naam van Rawan Péning bekende moeras. Kleinere venen komen voor in de residenties Besoeki (21 H.), Rembang (24 H.) en Bantam. Eindelijk worden nog venen aangetroffen op het Diëngplateau en bezuiden Meester Cornelis, nabij Batavia.

Op Sumatra liggen zeer veel venen in de lage landen langs de noord-oostkust. Hiertoe behooren de paja-landen van Langkat, Deli, Serdang enz. (residentie Sumatra's Oostkust), die, nog onlangs moerassen, thans voor de tabakscultuur ontgonnen zijn. Een veengebied van 80,000 Hectaren ligt tusschen de Siak- en Kampar-rivieren. Ook ten zuiden van Kampas zijn uitgestrekte veengronden. In Djambi zijn reeds in 1820 veenlagen ontdekt en zeer rijk aan moerasgronden is de residentie Palembang.

De meeste venen op Sumatra zijn ontstaan tengevolge van aanvoer van slib enz., waardoor de rivierbeddingen verhoogd werden. Tusschen de aldus verhoogde rivierbeddingen ontstonden in de laagste gedeelten meren en moerassen, die aanleiding gaven tot veenvorming.

Uitgebreide venen vindt men op Borneo en Nieuw-Guinea.

Nog zij opgemerkt, dat in Insulinde niet zelden wateren voorkomen, die bij de Maleiers, wegens de zwarte kleur, ajer itam, soengei itam, danau itam enz. heeten. Aldus gekleurde wateren, die ook in de veenstreken van ons land veel voorkomen, zijn eigenlijk alleen zwart bij reflectie; bij doorvallend licht zijn ze helder en lichtgeelbruin, ongeveer als slappe thee. Naar men weet wordt die kleuring veroorzaakt door opgeloste humuszuren en alkalihumaten. Waar men dergelijke namen aantreft (zoo heeft men o.a. op het eiland Banka een ajer Itam, met een dorp van denzelfden naam enz.) mag men dus naburig veen vermoeden.

De Nederlandsche wetgever heeft bij de wet van 13 Juli 1895 (Stbl. 113) bepalingen gegeven omtrent verveningen. De wetgever heeft zich daarbij op het standpunt gesteld, dat de voorschriften, die ten aanzien van vervening moeten worden gegeven, verschillend zijn voor de verschillende deelen des lands naarmate van de plaatselijke gesteldheid. Als hoofdregelen stelt de wetgever: 1°. het vaststellen van de noodige voorschriften omtrent hooge en lage verveningen wordt overgelaten aan de Provinciale Staten onder Koninklijke goedkeuring en met inachtneming van de regelen der wet. 2". Voor elke vervening is vergunning noodig van Gedeputeerde Staten, voor zoover het vervenen niet bij provinciale verordening uitdrukkelijk, hetzij voorwaardelijk hetzij onvoorwaardelijk,is vrijgelaten. De provinciale verordening wijst de gevallen aan,waarin een vergunning door Gedeputeerde Staten kan worden gewijzigd of ingetrokken en stelt regels ter verzekering dat, waar dit noodig en mogelijk is, de vervening geschiede volgens een door Gedeputeerde Staten goed te keuren werkplan en onder voorwaarde, dat door betaling van afkoop-, waarborg-, last-, slik- of turfgelden of consignatiepenningen, of op andere wijze, fondsen worden bijeengebracht ter voorziening in de kosten van aanleg en onderhoud der in verband met de vervening noodige werken, in de betaling van grond- en andere lasten en in de kosten van eventueele inpoldering en droogmaking der gronden na uitvening. Van de besluiten van Gede¬

puteerde Staten betreffende vergunningen tot vervening is beroep op de Kroon. Tot verzekering der nakoming van de bepalingen en voorwaarden der vergunning, tot het doen naleven der bestaande voorschriften omtrent verveningen en tot bevordering der belangen van de vervening, kunnen de Provinciale Staten een veenschap of een veenpolder oprichten en reglementen voor die instellingen vaststellen. Veenschappen worden opgericht bij hoogveen, veenpolders bij laagveen. De organisatie van veenschappen en veenpolders en de bevoegdheden van hunne besturen komen overeen met die der waterschappen (zie aldaar), waarmee zij ook in de Grondwet te zamen worden genoemd. Vervening zonder de vereischte vergunning of in strijd met de bij de vergunning gestelde voorwaarden wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 14 dagen of geldboete van ten hoogste ƒ100 en met verbeurdverklaring der voorwerpen door middel van de overtreding verkregen of waarmee de overtreding is gepleegd. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om de verveningen, in strijd met de wet ondernomen, feitelijk te doen beletten en het terrein op kosten der verveners zooveel mogelijk in den vorigen toestand te doen herstellen.

Veen, Otto van, een Hollandsch-Vlaamscli schilder van Bijbelsche, historische en allegorische tafereelen, de leermeester van Rubens, werd geboren te Leiden in 1558 en overleed te Brussel in 1629. Hij was een leerling van Isaac Claesz. van Swanenburgh te Leiden, later van Dommicus Lampsonius te Luik. Na in Luik gewerkt te hebben, ging van Veen in 1576 naar Italië, waar hij vijf jaar lang leerling was van Federigo Zucchero. In 1573 vestigde hij zich te Antwerpen, waar bij in het St. Lucasgilde trad en zich spoedig een grooten naam verwierf. Hij werd later zelfs hofschilder bij Albert en Isdbella. In dien tijd leerde Rubens bij hem. Als schilder heeft hij niet die beteekenis, die men uit dit feit zou willen afleiden. Zijn schilderwijze is weinig krachtig. Het Rijksmuseum te Amsterdam bezit twaalf werken van zijn hand, voorstellende den opstand van de Batavieren tegen de Romeinen. Deze schilderijen werden in 1613 door de Staten van Holland voor 2200 gulden voor hun vergaderzaal aangekocht.

Veen, Jan van der, Azn, een Nederlandsch schrijver, geboren te Wier in Friesland den 6aen Mei 1810, was vah 1830 tot 1834 vrijwilliger en officier bij de schutterij en werd vervolgens griffier van het kantongerecht en schoolopziener te fioogeveen. Hij schreef in poëzie: „De roovers.eenDrentsch verhaal" (1838), „Welkomstgroet aan de bezoekers van Drente bij het 203te landhuishoudkundig congrès te Assen", „Nachtlichtjes" (1865), „1815 Waterloo" (1865), „Twee liederen voor Drente" (1865), „Feestliedjes voor 1872" (1872) enz., en in proza: „Iets over oom Thomas" (1843), „Meester Paul. Waarheid en Verbeelding" (1844), „Drentsch mozaïek" (2 stukken, 1844—1848) „Pauls verblijf op den Sperwerhorst" (1847), „Twee vertellingen (1849), „De laatste bewoners van LycklamaState" (1852, „Vóór zestig jaren" (1855), „Remonstranten en Contra-Remonstranten" (2 dln., 1868), „Dramatische schetsen" (1868), „Veertig jaar geleden. Herinneringen uit het Drentsche schuttersleven" (1830—1834), „Een Nederlandsche schoolmeester in 1672" (1872), „Een en ander

Sluiten