Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teekenschool, een muziekschool en een handelscursus. Verder bezit de plaats eenige liefdadige instellingen; 2 hypotheekbanken; 1 correspondentschap lBte klasse der Nederlandsche Bank, 1 Kamer van Koophandel, 1 bloeiende handelsvereeniging; een vereeniging „Industriae Sacrum", vele hotels en bijna alle bovengenoemde fabrieken. Monumentale gebouwen voor onderwijs, een fraai plantsoen, een 6 H.A. groot sportterrein en een groot sociëteitsgebouw voor vergaderingen, tooneelvoorstellingen en concerten, stempelen de plaats tot het centrum der Veenkoloniën.

Veendamcultunr. Zie Veenontginning.

Veend&mp of Veenrook noemt men een branderig ruikenden, blauwachtig grijzen rook of nevel, die de lucht in meerdere of mindere mate doet betrekken. Dit verschijnsel, dat het meest in Noordwest-Duitschland en in ons land voorkomt, vooral op droge dagen in Mei, Juni en Juli, is een gevolg van het veenbranden (zie aldaar). Doordat deze wijze van cultuur weinig meer voorkomt, neemt men den veendamp niet dikwijls meer waar.

Veengrond. Zie Veen.

Veenhuizen is de naam van een rijksbedelaarskolonie in de Drentsche gemeente Norg. In 1823 en later kocht de Maatschappij van Weldadigheid aldaar stukken woesten grond aan met een gezamenlijke oppervlakte van 3 000 H.A. Daarop werden 3 groote gestichten geplaatst, waarin vondelingen, weezen, bedelaars en oud strijders tegen een geldelijke vergoeding werden opgenomen. In 1859 werden deze gestichten met het gesticht te Ommerschans door het rijk overgenomen. In deze rijkswerkinrichtingen worden bedelaars en landloopers opgenomen, tevens kunnen er voor rekening van de gemeenten armen toegelaten worden, die zulks wenschen. Met de gestichten zijn onderwijsinrichtingen verbonden. Verder vindt men er een Protestantsche en een Roomsch-Katholieke school.

Veenkoloniën noemt men de plaatsen in het O. van ons land, die ontstaan zijn in de streken, waar het hoogveen is afgegraven. Deze ondergrond kan, zooals in het artikel Veenontginning vermeld wordt, bij flinke bemesting voldoende vruchtbaar gemaakt worden voor uitoefening van den landbouw. Daar het verkeer geheel langs het bij de ontginning van het veen gegraven kanaal met zijn zijtakken moet plaats hebben, spreekt het van zelf, dat de bewoners, oorspronkelijk veengravers, winkeliers, herbergiers en ambachtslieden, zich langs deze wateren gevestigd hebben, vandaar dat alle veenkoloniën vrijwel hetzelfde karakter vertoonen en streek- of rijendorpen zijn, die zich uren ver in de lengte uitstrekken, of aan eene zijde, of aan beide zijden langs een kanaal. Menigmaal gaat dan ook de eene kolonie onmerkbaar in de andere ever, zooals Veendam en Wildervank, Hoogezand en Sappemeer enz. Langs het hoofdkanaal vindt men de hoofdstraat, de huizen van elkander gescheiden door de wijken of dwarskanalen, waarover bruggen of vonders liggen en waarlangs dikwijls minder aanzienlijke huizen zijstraten of stegen vormen. Tusschen de talrijke wateren liggen de akkers, alle lange rechthoekige stukken. Eenigszins anders is de aanleg in Helenaveen. De bevolking, uit alle deelen des lands, somtijds zelfs uit het buitenland, samengestroomd, mist meestal alle ethnografische eenheid en vertoont iets be¬

wegelijks en onrustigs in haar karakter. Aan oude gebruiken en zeden hecht zij niet, haar karakter, taal enz. zijn min of meer stedelijk, haar woningen modern, zonder een vast grondtype. Zij bezit meer ondernemingsgeest dan de naburige plattelandsbevolking en heeft daardoor ook grooter verscheidenheid van bestaansmiddelen. Als hoofdmiddel van bestaan moet de landbouw genoemd worden, en hoewel de landbouwgewassen geenszins overal dezelfde zijn, spelen aardappelen, haver en rogge toch de hoofdrol. Hier en daar worden ook tarwe, boonen en erwten verbouwd, in Hoogeveen doet men aan warmoezerij, boomkweekerij en bloemen(rozen)teelt, in Helenaveen kweekt men fijne groenten en ooft. Naast landbouw speelt in Groningen en ten deele ook in Drente de nijverheid een groote rol. Vroeger bloeide in vele Groningsche veenkoloniën de scheepsbouw; toen echter de houten schepen meer en meer door ijzeren vervangen werden, kwam, op enkele uitzonderingen na, zooals in Hoogezand, hieraan een einde. Daarvoor zijn vooral de aardappelmeelfabrieken in de plaats getreden, in verband waarmede de aardappel er het voornaamste landbouwprodukt is. Ook dextrine, stroop, druivesuiker en spiritus worden uit de aardappelen bereid. De roggebouw riep op sommige plaatsen de stroopapier- en stroocartonfabricage in het leven; de turf deed steen- en pannenbakkerijen en kalkovens ontstaan, terwijl er ook enkele cichoreifabrieken, leerlooierijen, zeepziederijen, houtzaag-, koren-, pel- en oliemolens verrezen.

Veenmol (Grylhtalpa vulgaris L.) is de naam van een insekt uit de orde der Rechtvleugeligen (iOrthoptera). Hij is éen van onze grootste insekten en onderscheidt zich door een eivormigen kop, halfweg in het halsschild gedoken, borstelvormige, veelledige sprieten, voorpooten, tot graven geschikt welke eenigszins op die van den mol gelijken, breede, korte dijen, aan de onderzijde met een tand voorzien, korte schenen, met 5 tandjes gewapend, kleine tarsen, over elkander geslagen, dekschilden, die korter zijn dan de achtervleugels, en een aardachtig bruine kleur. Hij bewoont een klein hol onder den grond, wel eens ter diepte van 5 dm. gelegen, maakt loopgraven en gaat 's nachts uit om voedsel te zoeken. Het wijfje legt in het nest, waarvan de wanden uit samengedrukte aarde bestaan, een groot aantal eieren. Hij wordt vooral door de gewone mollen ijverig vervolgd. De veenmol is door het eten van plantenwortels zeer schadelijk. Om ze te vangen, zet men op sommige plaatsen hooge potten onder den grond, waarin die dieren nedervallen en waaruit zij niet kunnen ontsnappen.

Veenmo>. Zie Sphagnum.

Veenontginning omvat de verschillende methoden, volgens welke het veen voor den landbouw geschikt kan worden gemaakt.

a. Hoogveen. Hierbij vinden drie methoden toepassing, n.L:

1. Het veenbranden (zie aldaar).

2. Moderne hoogveencultuur. Deze methode, die op het onvergraven hoogveen wordt toegepast, bestaat in hoofdzaak in een voldoende ontwatering, bewerking, bekalking en bemesting van het veen. Om in de behoefte aan plantenvoedsel te voorzien, worden kali-, phosphorzuur- en stikstofhoudende kunstmeststoffen in ruime hoeveelheden aan-

Sluiten