Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewend. Om op de dure kunstmeststikstof te kunnen bezuinigen, wordt veel groenbemesting met \linderbloemigen toegepast, waarvan de aanslag door gebruik van entaarde, terpaarde en zeeslib wordt bevorderd. Deze methode heeft niet geheel aan de verwachtingen beantwoord, in hoofdzaak door de onzekerheid van de opbrengsten der graslanden, in den regel ten gevolge van droogte. Daarin is in de laatste jaren verbetering gebracht door de behandeling der aangelegde graslanden met zware rollen en daarmede is de moderne hoogveenontginning een nieuwe phase ingetreden.

3. Groninger Veenkoloniale ontginning. Deze methode berust op de vergraving van het veen tot turf en het toemaken van den vrij gekomen dalgrond met de bonkaarde (zie Veen), die in het voorjaar op den het vorige jaar blootgekomen ondergrond wordt gespreid. Bij de vergraving van het veen moet zorg gedragen zijn, dat het tot op het zand werd afgegraven, daar een achtergebleven laag van het zwarte veen een ondoorlatende laag in den dalgrond zou vormen. Is het om de een of andere reden noodig, dat een laag van het zwarte veen blijft zitten, zoo is het gewenscht, deze vóór de overdekking met bonkaarde los te werken. Ook kan het aanbeveling verdienen, het onderliggende zand vooraf goed los te maken, namelijk als dit van nature dicht en ondoorlatend is. Het dient in elk geval aan de oppervlakte te worden geslecht. De over het zand uit te spreiden bonklaag dient in 't algemeen zoo dik mogelijk te worden genomen. Haar dikte varieert in den regel van 0.50—1 m. De laag uitgespreide bonkaarde wordt aan de oppervlakte geëffend (binnensiechten) en daarna overdekt met een zandlaag ter dikte van 7—12 c.m. Bij een dunne zandlaag lijden de te verbouwen gewassen licht aan nachtvorsten; bij een dikke laag wordt de grond meer mestgierig, maar het H.L.-gewicht der granen hooger. Het overgespreide zand wordt door bewerking met ploeg of cultivator met enkele — 3 tot 5 — centimeters van de bonkaarde vermengd voor het vormen van een bouwvoor. Voor bemesting kan gebruik worden gemaakt van stadscompost of van kunstmest of wel van beide gecombineerd. Gewoonlijk worden de eerste twee jaren aardappelen, daarna rogge of haver met roode klaver verbouwd.

b. Laagveen. De laagveengronden, die in den regel van nature in hoofdzaak met zeegrassen zijn begroeid, kunnen door goede ontwatering, behandeling met zand, terpaarde. stal- en kunstmest langzamerhand worden verbeterd. Ook kan dit geschieden, door ze onder toepassing der genoemde behandelingen te scheuren, met haver, waaronder gras en klaver van goede kwaliteit, te bezaaien en ze na het oogsten der haver weer groen te laten liggen. Door ze droog te leggen, te bezanden en doelmatig te bemesten kunnen ze ook in goede bouwlanden worden veranderd. Een bijzondere methode van ontginning van laagveen tot bouwland is de veendam-, Rimpauveen- of zanddekcultuur. Zij bestaat hierin, dat het veen eerst voldoende wordt ontwaterd door het graven van slooten met een bovenbreedte van omstreeks 5 m. op afstanden van 20—25 m., uitloopende op een hoofdsloot. De waterstand in die slooten wordt op ongeveer 1 m. beneden het maaiveld gebracht. liet veen uit de slooten wordt over de oppervlakte van het

terrein uitgespreid, nadat deze eerst is geëffend, en daarna wordt het zand onder uit de slooten in een laag ter dikte van omstreeks 11 c.m. over de oppervlakte uitgespreid. Het zand wordt niet met het onderliggende veen vermengd. De zoo toebereide grond wordt als bouw- of als grasland gebruikt. Hij wordt bijna uitsluitend bemest met phosphorzuur en kali.

Veenpluis of Wollegras. Zie Eriophorium.

Veenpolder. Zie Polder.

Veenschap. Z;e Veen.

Veepest of Runderpest (Pestis bovina) is de meest gevreesde besmettelijke ziekte bij het vee. Zij breekt 4—7 dagen na de besmetting uit en eindigt meestal na 6—10 dagen met den dood. In het algemeen genezen slechts 5—10% van de aangetaste dieren. De herstelde dieren zijn onvatbaar voor de ziekte, en ook hun nakomelingen schijnen beter tegen de ziekte bestand te zijn, zoodat in streken, waar de veepest voortdurend heerscht zooals bijv. in Centraal-Rusland het vee een zeker weerstandsvermogen krijgt. In het begin van de ziekte vertoonen zich, naast algemeene ziekteverschijnselen en hooge koortsen, aanvallen van zenuwachtigheid, etterachtige catarrhen, verkorstingen van de slijmhuid, bloederige uitscheidingen, vermengd met gal, hoest en aandoeningen van de huid. De eerste gevallen zijn alleen door ontleding van het doode dier vast te stellen, daarbij vindt men zweren in de lebmaag en in de dunne darmen en een sterke uitzetting van de galblaas.

Uit de Oudheid en de Middeleeuwen hebben wij verschillende berichten omtrent besmettelijke veeziekten, waarvan wij echter niet met zekerheid weten of zij tot de runderpest behooren. Sedert de 16dc eeuw echter werd deze ziekte herhaaldelijk uit het Oosten naar Europa gebracht. In 1711 en 1740 heerschten o.a. in West-Europa hevige epidemieën. Vooral in tijden van oorlog kwamen zij veel voor. In de 18de eeuw begon men eerst maatregelen te nemen om haar uitbreiding tegen te gaan, echter niet in voldoende mate. In 1865 stierven o.a. in ons land en in Engeland nog honderdduizenden dieren, en ook in 1870 kwam de ziekte na den Fransch-Duitschen oorlog in West-Europa voor. Na dien tijd heeft zij zich, dank zij de strenge maatregelen, vooral ten opzichte van het grensverkeer met Rusland, niet meer in die mate vertoond. Sedert 1867 is ons land vrijgebleven. In de laatste jaren past men wel inentingen met gal of bloedserum van zieke of gestorven dieren toe, vooral in streken, waar strenge politiemaatregelen niet doorgevoerd kunnen worden. Zoo heeft men daarmee in Duitsch Zuidwest-Afrika veel succes gehad. De ziekte kan van runderen op alle andere herkauwende dieren overgaan, zij heeft echter in het algemeen bij deze een gunstiger verloop. Het vleesch van zieke dieren kan door menschen genuttigd worden, zonder dat er bijzondere nadeelen door ontstaan. In de meeste landen bestaat hier echter een verbod tegen, omdat de uitbreiding van de ziekte daardoor wordt bevorderd.

Veer. Zie Vederen.

Veer noemt men een inrichting om, met behulp van vaartuigen, het verkeer tusschen de beide oevers van een rivier, een meer enz. te onderhouden. Naar den aard van het verkeer, dat door middel van het veer plaats vindt, spreekt men van

Sluiten