Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Veere of Vere, een gemeente in de provincie Zeeland, 696 H.A. groot met (1910) 954 inwoners, wordt aan de zeezijde door het Veersche Gat en aan de landzijde door de gemeente Vrouwenpolder begrensd. De bodem bestaat uit min of meer met zand vermengde klei Landbouw is het voornaamste middi 1 van bestaan. Tot de gemeente behoort het stadje Veere en het gehucht Zanddijk-Binnen.

Het stadje Veere, vroeger Kampvere geheeten, ligt aan het Veersche Gat en aan het kanaal door Walcheren en was vroeger een aanzienlijke handelsplaats. Waarschijnlijk bedroeg het aantal inwoners in den bloeitijd meer dan 4000. Tot de bouwwerken, die nog uit dezen tijd over zijn, behooren: het stadhuis met een fraaien voorgevel, waarin zich een aantal beelden bevinden, en een oudheidskamer, die o. a, den beroemden, verguld zilveren beker bevat, door Maximiliaan van Bourgondië in 1651 aan de stad geschonken, de Kampveersche toren, de Groote Kerk (1348 gesticht), die sedert 1812 afwisselend voor militair hospitaal, werkhuis en kazerne heeft gediend, met een toren van 68 m. hoogte, de stadsfontein en eenige oude gevels. Van de overige gebouwen noemen wij: de kleine Hervormde kerk met een gedenkteeken voor Miggrode, de Gereformeerde kerk en de Roomscli-Katholieke kerk. Veere was vroeger een vesting. Sedert 1867 echter werden de vestingwerken niet meer onderhouden en voor eenige jaren geslecht.

Veeren. Zie Vederen.

Veerkracht of Elasticiteit noemt men in het algemeen de inwendige of moleculaire kracht, welke zich tegen veranderingen, door uitwendige krachten teweeg gebracht, verzet. Gewoonlijk neemt men waar, dat bij het aanbrengen van uitwendige krachten, het lichaam, waarop zij werken, niet dadelijk een nieuwen evenwichtstoestand inneemt. Na een eerste en groote verandering gaat het gedurende eenigen tijd voort met aan de werking der krachten toe te geven en omgekeerd herneemt het bij het wegnemen van deze niet ineens zijn oorspronkelijken vorm. Men noemt dit verschijnsel de nawerking der veerkracht of elastische nawerking. Gaan de uitwendige krachten zekere grootte te boven, dan keert het lichaam na haar inwerking niet weder tot den oorspronkelijken toestand terug: het heeft een blijvende verandering ondergaan. Men zegt dan dat de grens van veerkracht of de elasticileitsgrens is overschreden. Een juiste waarde daarvan is echter niet aan te geven, omdat ons vermogen, om een kleine, blijvende verandering waar tenemen, zelf begrensd is. Daarom stelt men veeal d prion de vaste bepaling voorop, dat de grens van veerkracht bereikt is, als de uitrekking 1]2 000 bedraagt.

De stof vertoont nu in de verschillende aggregaatstoestanden verschillende vormen van veerkracht. Gassen en vloeistoffen zijn veerkrachtig in zooverre zij aan een volumeverandering weerstand bieden. Zij vertoonen echter geen elastische nawerking, noch ook bezitten zij een grens van veerkracht. Deze veerkracht, welke zich tegen een volumeverandering verzet, bezitten ook de vaste lichamen. Maar daarnaast verzetten deze zich ook tegen vormveranderingen ook al gaan zij met volumeveranderingen gepaard. Daarmede hangt samen, dat men op vaste lichamen nog

andere krachten kan doen werken dan op gassen en vloeistoffen. Men kan hen in één richting uitrekken of samendrukken, in een bepaalde richting wringen enz. Intusschen bestaat toch voor al deze gevallen deze belangrijke, algemeene betrekking, bekend als de Wet van Hooke, dat binnen de grens van veerkracht de verandering evenredig is met de kracht, die haar teweegbracht. Of wat, op grond van de omschrijving van het begrip veerkracht, hetzelfde is, de bij elastische veranderingen optredende veerkracht is evenredig met die veranderingen. Daaruit volgt tevens, dat binnen zekere grenzen de verhouding van de kracht tot de elastische verandering, daardoor opgewekt, standvastig is en dus voor een bepaalde stof karakteristiek. Is zij eenmaal bekend, dan kan men den weerstand, dien een lichaam tegen een gegeven kracht zal bieden, berekenen. Men noemt zulke grootheden, welke doen kennen hoe sterk zich een stof tegen een vormverandering verzet, in het algemeen elasticiteitscoëfficiënt. De, beteekenis van dezen coëfficiënt voor ieder bijzonder geval moeten wij nu nog nagaan.

De eenvoudigste vormverandering, welke een vast lichaam kan ondergaan, is een uitrekking in één richting. Zij werd het eerst door onzen landgenoot 's Gravesande (1720) onderzocht. Het bleek daarbij, dat de lengtevermeerdering bij niet al te groote krachten evenredig met deze was; verder is zij evenredig met de lengte van het lichaam, omgekeerd evenredig met zijn doorsnede en hangt zij af van den elasticiteitscoëfficiënt, welke, zooals gezegd, door den aard der stof bepaald is. Hoe kleiner deze is, des te geringer is de uitrekking, door een gegeven kracht teweeggebracht, en des te grooter zijn derhalve de weerstandbiedende krachten, d. i. de veerkracht. Een grootheid, welke omgekeerd evenredig is met den elasticiteitscoëfficiënt, kan dus als maat dezer veerkracht dienen; men noemt haar modulus of coëfficiënt van veerkracht hij uitrekking in één richting. Uit de wiskundige formuleering der uitrekking blijkt, dat deze elasticiteitsmodulus van een stof, de grootte der kracht voorstelt, welke een staaf van de eenheid van doorsnede tot de dubbele lengte zou uitrekken, indien zulks mogelijk ware zonder de grens van veerkracht te overschrijden. Tegenover de uitrekking in één richting staat de samendrukking in één richting. Binnen zekere grenzen mag men aannemen, dat de lengtevermindering even groot is als de lengtevermeerdering, wanneer de samendrukkende en uitrekkende krachten even groot zijn.

Naast deze vormveranderingen, veroorzaakt door krachten, welke in één richting werken, kunnen wij die beschouwen, welke optreden, wamieer een vast lichaam in alle richtingen wordt samengedrukt. De optredende volumevermin dering blijkt evenredig te zijn met den druk, het aanvankelijk volume en met een elasticiteitscoëfficiënt, den coëfficiënt van samendrukbaarheid, afhankelijk van den aard der stof en welke in getalmaat de verandering van de volumeëenheid bij een uitwendigen druk = 1 voorstelt.

Een andere elastische verandering, de doorbuiging, treedt op, wanneer een staafvormig, vast lichaam, in één of in beide eindpunten ondersteund, wordt blootgesteld aan de werking van krachten waarvan de richting loodrecht op de lengterichting

Sluiten