Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt gevormd door verschillende soorten afval, zooals lijnkoeken, zemelen, den afval van de spiritusbereiding, die met stroo, hooi enz. vermengd een voortreffelijk voedsel oplevert, pulp uit de suikerfabrieken, melasse, draf enz.

In den eersten tijd worden alle dieren met moedermelk gevoed, na het spenen geeft men eenigen tijd koemelk. Wei en afgeroomde zure melk zijn voor varkens geschikt, evenals vleeschmeel. Het voedsel wordt dikwijls op de een of andere wijze toebereid, om het gemakkelijker te doen opnemen, smakelijker, beter verteerbaar, of duurzamer te maken, schadelijke stoffen te verwijderen of ze gemakkelijker met andere stoffen te doen vermengen. Zoo wordt het voedsel bijv. gedroogd, stukgesneden, gemalen, gekweekt, gemout, gekookt, gegist, ingekuild enz. De veevoeding heeft in de weide of in de stallen plaats; in het eerste geval eten de dieren zooveel en wanneer ze behoefte hebben, in het laatste geval geeft men hun van de meeste voedingsmiddelen op bepaalde tijden een zekere hoeveelheid. In het algemeen gebruiken dieren van dezelfde soort onder normale omstandigheden bij gelijke ontwikkeling ongeveer dezelfde hoeveelheid voedsel; individualiteit, ras en geslacht hebben doorgaans geen invloed op het verteringsvermogen. Op grond van verschillende wetenschappelijke proefnemingen heeft men een voedernorm vastgesteld. De voedernorm van Wolff geeft behalve de verhouding van de voedingsstoffen, aan, hoeveel van de verteerbare voedingsstoffen (droge stof, stikstofhoudende stoffen, vet en stikstofvrije stoffen) voor elke 1 000 kg. levend gewicht van het dier in de dagelijksche hoeveelheid voedsel aanwezig moeten zijn. Herkauwers en paarden worden meestal 3 maal per dag gevoerd, mestdieren en varkens 4 maal. Gewoonlijk laat men de dieren na het eten drinken, zelden vóór dien tijd, wanneer tenminste niet door een bijzondere inrichting de stallen altijd van water zijn voorzien.

Veeziekten komen zeer dikwijls voor. Hiertoe behooren bijv. veepest (zie aldaar), longziekte (zie aldaar), miltvuur (zie aldaar), boutvuur, monden klauwzeer (zie Klauwzeer), haemoglobinurie of bloedwateren, boosaardige catarrliale koortsen, tuberculose (zie aldaar) enz. Over het algemeen zijn de runderen vatbaar voor chronische ziekten; zoo komen chronische veretteringen met verdikking en verkalking van den etter, chronische aandoeningen van de spijsverteringsorganen, ziekten van de geslachtsorganen, dikwijls verbonden met aandoeningen van de nieren en de uiers bij koeien meer voor dan bij andere huisdieren. Parasieten, die het meest op of bij hen leven, zijn echinococcen, distomeeën, longwormen en blaaswormen. In de huid ontwikkelen zich dikwijls horzelbuilen en andere gezwellen, aan het kaakbeen actinomycome, aan de klauwen hevige etteringen (panaratium). In alle beschaafde landen heeft de staat wetten uitgevaardigd om de veeziekten zooveel mogelijk te beperken. Zie Veeartsenijkundige politie.

Vega is in Z. Spanje, met name in Andalusië, de aanduiding van de vruchtbare, kunstmatig bevloeide vlakten.

Vega, Ia (Conception de la Vega), de hoofdstad van een provincie in de Dominicaansche republiek op Haïti, in de vruchtbare Vega Real aan de Rio Camu en aan den spoorweg naar Samana

gelegen, telt 10 000 inwoners. De stad werd in 1570 gesticht, nadat een N. O. gelegen plaats van dien naam, in 1495 door Columbus gesticht en bekend door haar mijnbouw, door een aardbeving was verwoest geworden.

Vega, Garcilaso de la, een Spaansch dichter, geboren in 1603 te Toledo, kwam aan het hof van Karei V, waar hij in 1526 door Boscan en Navagiero tot de bestudeering van de klassiektn en van de Italiaansche letterkunde werd gebracht. Karei V benoemde hem tot zijn cavalier d' honneur en nam hem op bijna al zijn reizen mede. Later werd hij als gezant van den keizer aan het hof van den Franschen koning Frans 1 bekend met Clément Marot en andere beroemde dichters. Met zijn vriend, den lateren hertog van Alva, begaf hij zich naar Duitschland, op welke reis hij bij den keizer in ongenade viel, hij werd in 1531 op het eiland Schütt gevangen gezet en vervolgens naar Napels verbannen, waar hij de gunst van den vicekoning, den markies van Villafranca verwierf en vele van zijn schoonste gedichten schreef. Door bemiddeling van den markies werd hij met den keizer verzoend en nam deel aan den veldtocht naar Tunis. In den oorlog tegen Frankrijk werd hij bij Fréjus door een steenworp gewond en overleed den 14den October 1536. De Spanjaarden noemen Vega den prins hunner dichters. Bijna al zijn gedichten zijn in Italiaansche versmaat geschreven, hun welluidendheid is in Spanje niet overtroffen. In zijn ecloges nam hij Virgüius, in zijn sonnetten Petrarca tot zijn voorbeeld. Zijn gedichten werden aanvankelijk met die van Boscan tezamen uitgegeven, in 1574 verscheen een afzonderlijke uitgave van Sanches de las Brozas.

Vega Carpio, Lope Felix de, de meest beroemde Spaansche tooneeldichter, geboren den 25sten November 1562 te Madrid, was een afstammeling van een oudadellijk Galicisch geslacht, ontving zijn eerste opleiding op het Colegio imperial te Madrid, studeerde vervolgens te Salamanca en te Aicala de Henares in de theologie en in de philosofie en ontving aan laatstgenoemde universiteit den graad van baccalaureus. Daarna trad hij in dienst bij den hertog van Alva (een kleinzoon van den bekenden veldheer), voor wien hij zijn herdersroman „Arcadia" schreef. Een ongelukkige liefdesgeschiedenis was oorzaak, dat hij zich in krijgsdienst begaf. Hij maakte in 1582 den tocht naar de Azoren mede, werd na zijn terugkeer om redenen, die niet bekend zijn geworden, gevangen gezet, ontvluchtte echter en nam daarna dienst op de Armada. Na de vernietiging van de vloot keerde hij naar Spanje terug, trad met een dame uit een adellijk geslacht in het huwelijk, doch moest weldra tengevolge van een duel Madrid verlaten en begaf zich naar Valencia, waar hij met een aantal beroemde tooneeldichters in verbinding trad. In dezen tijd begonnen zijn werkzaamheden voor het tooneeL In 1595 ontving hij verlof naar Madrid terug te keeren. Na den dood van zijn echtgenoote trad hij als secretaris in dienst van markies de Malpica, later van graaf de Lemos, m<;t wien hij een deel van Italië bereisde. Daarna wijdde hij zich gedurende een aantal jaren uitsluitend aan zijn letterkundige werkzaamheden. Na den dood van zijn tweede gemalin en van een kind (1607) liet hij zich tot priester wijden en trad in 1611 in

Sluiten