Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen gedroogde bollen in 't openbaar verkocht worden, waarvoor gevulde zakken of balen ter veiling worden aangevoerd, zoodat de kooper precies kan nagaan, wat hij koopt.

Groene veilingen vindt men in dezelfde bovengenoemde streken. De bollen veilt men in bebladerden toestand, dus nog in vollen groei op 't veld. Bij deze methode is het eenigszins speculatief, wat men koopt, want daar de groei nog verre van geëindigd is, kunnen de bolgewassen zich sterk ontwikkelen of in groei gaan stilstaan.

Veirac, Johannes, een Nederlandsch geneeskundige, geboren in 1743, studeerde te Leiden in de geneeskunde, promoveerde aldaar op een dissertatie: „De crisi" en vestigde zich achtereenvolgens te Gouda, te Sommelsdijk en te Rotterdam. Tot zesmaal toe zag hij zijn antwoorden op prijsvragen bekroond, werd lid van onderscheiden geleerde genootschappen, wees een professoraat te Harderwijk van de hand en overleed in 1795.

Veit, Philipp, een Duitsch schilder, geboren te Berlijn den 13del1 Febrari 1793, was door zijn moeder een kleinzoon van Mozes Mendelssohn, bracht zijn jeugd gedeeltelijk door te Parijs ten huize van zijn stiefvader Friedrich von Schlegel en werd in 1808 een leerling van Matthai te Dresden. In 1811 vestigde hij zich te Weenen. Nadat hij deelgenomen had aan den vrijheidsoorlog, vertrok hij in 1816 naar Rome, waar hij zich bij de Romantische school voegde. Met Cornelius, Schadow en Overbeck was hij werkzaam aan de fresco's van Casa Bartholdy, waarvan hij „Jozef bij de vrouw van Potiphar'' en „De zeven vette jaren" vervaardigde. Verder schilderde hij in de Villa Massimi tafereelen uit de „Divina Commedia" van Dante, in de kerk van Trinita dei Monti een altaarstuk, de Onbevlekte Ontvangenis voorstellende en „De zegepraal van den godsdienst" in het Vaticaan. In 1830 werd hij directeur van het Stadelsche Instituut te Frankfort en schilderde een „Heilige George" voor de kerk te Bensheim, „De doop van Christus", „Het te vondeling leggen van Mozes", „De beide Maria's bij het graf van Jezus" en een groot frescoschilderij in genoemd Instituut, „De invoering van het Christendom en van de Kunst in Duitschland" voorstellende, alsmede de beide kleinere fresco's: „Italia" en „Germania". Voor het Stadelsche Instituut vervaardigde hij verder nog eenige ontwerpen uit de Oudheid, die echter niet tot uitvoering gekomen zijn. Hiertoe behoort „Het schild van Achilles." Hij schilderde voor de „Römersaal" de portretten van Karei den Groote, Otto I, Frederik II en Hendrik VII. In 1843 verplaatste hij zijn atelier naar Sachsenhausen en schilderde er voor den Dom te Frankfort het altaarstuk: „De hemelvaart van Maria", en voor den koning van Pruisen „De beide Maria's bij het graf van Jezus", „De barmhartige Samaritaan" en „De Egyptische duisternis". In 1847 leverde hij een groote teekening voor een frescoschilderij in den Dom te Berlijn. In 1853 vestigde hij zich te Mainz, waar hij directeur van het museum voor schilderijen werd en o. a. de ontwerpen voor een schilderijencyclus voor den Dom vervaardigde, die door Settegast, Lasinsky en Herrmann in fresco uitgevoerd werden. Hij overleed den 18'Ien December 1877 te Mainz. In 1891 gaf Kaufmann zijn „Zehn Vortrage über Kunst" uit.

Veit, Johann, een Duitsch geneeskundige, geboren den 17den Juli 1852 te Berlijn, als zoon van een arts met drukke praktijk, begon zijn studiën te Leipzig in 1869, doch onderbrak ze gedurende den oorlog van 1870 om vervolgens nog twee semesters te Leipzig, daarna te Berlijn te studeeren. Hij volgde de colleges van Ludurig te Leipzig en de klinieken van Langenbeck en Bardeleben. Na in 1875 artsexamen te hebben gedaan, werd hij in April assistent aan de universiteitskliniek voor vrouwen bij E. Martin te Berlijn; daarna kwam hij, bij de komst van Schrödernaar Berlijn, in 1876 onder diens leiding. Hij deed met Ruge onderzoekingen over de erosies en over uterus carcinoom. Daarna bezocht hij gedurende drie maanden in Frankrijk en Engeland de klinieken, om vanaf 1896 Schröder in zijn privaat-praktijk te assisteeren. Hij werkte sinds dien veel op wetenschappelijk gebied en hielp Schröder bij de bewerking van diens latere uitgaven van zijn leerboeken over verloskunde en gynaecologie. Li 1879 vestigde hij zich als privaatdocent en gaf lessen over theoretische verloskunde en daarbij oefeningen in de gynaecologische diagnostiek. In 1884 publiceerde hij een kleine monografie over tubairzwangerschap en werkte daarna mede aan het „Handboek der Verloskunde" van Muller, en aan de nieuwe uitgave van Schröders „Handboek der Verloskunde' in vereeniging met Olshausen. In 1896 werd Veit benoemd tot hoogleeraar te Leiden, waar hij 7 jaren doorbracht. Hij maakte toen voornamelijk placenta-studiën en trachtte het foetale stofwisselingsproces beter te leeren kennen. Zoo bestudeerde hij met Dekhuyzen den osmotischen druk en met Hof/man het intreden van vlokken in den bloedstroom. Vooral deed hij veel voor het onderwijs en belangrijk waren de uitbreidingen van kliniek en polikliniek onder zijn leiding. In Maart 1903 gaf hij gehoor aan een beroep naar de universiteit te Erlangen. Een jaar daarna volgde zijn verplaatsing naar Halle. In 1897 verscheen onder zijn redactie het l8te deel van het Handbuch der Gynaecologie, bewerkt door hem e. a. In 1899 bezorgde Veit met Olshausen een nieuwe uitgave van het „Lehrbuch der Geburtshülfe" van Schröder. Verder schreef hij een aantal verhandelingen in verschillende tijdschriften.

Veitsdans. Zie Vitusdans.

Vej'ér de la Frontera, een plaats in de Spaansche provincie Cadiz, op een hoogte op den rechter oever van de Barbate gelegen, bezit een Gothische kerk en telt (1900) 11 298 inwoners, die zich met den verbouw van zuidvruchten bezighouden. Bovendien voert de plaats gezouten visch uit. Z. W. lijk hiervan ligt Kaap Trafalgar, O. lijk het uitgebreide strandmeer Lagune de la Janda.

Veji, een oude stad in Etrurië, op een hooge, steile rots aan het riviertje Cremera, ongeveer 18 km. ten noorden van Rome gelegen, was een van de aanzienlijkste van de twaalf steden van het Etrurisch Verbond, reeds machtig vóór de stichting van Rome. Zij werd door koningen geregeerd, streed gedurende honderd jaar tegen Rome en werd in 396 v. Chr. na een tienjarige belegering door Camillus veroverd. Daarop werden haar inwoners als slaven verkocht, en haar gebied werd aan dat van Rome toegevoegd. Nu was de bloei der stad voor altijd vernietigd, en eerst in

Sluiten