Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontdekking van Amerika en het vinden van den zeeweg naar Indië, zeer was afgenomen, neemt in den laatster! tijd weder toe. In het W. van de stad werd een dok met een havenbassin aangelegd, verder werd er een magazijn voor den doorvoerhandel gebouwd. In 1905 bedroeg het aantal schepen, dat de haven van Venetië binnenliep 3 412 van 1750 603 ton inhoud, hiervan waren 1360 buitenlandsche schepen met een inhoud van 1144 203 ton. Het aantal schepen, dat de haven verliet, was 3402 met een inhoud van 1 737 877 ton, hiervan waren 1 355 buitenlandsche schepen met een inhoud van 1139 443 ton. In 1906 had de goederenhandel een totale waarde van 822,6 millioen lire, daarvan had de zeehandel een aandeel van 402,5 millioen lire (invoer 255,3 millioen, uitvoer 146,2 millioen), de handel over land en langs de rivieren van 395,4 millioen lire (invoer 182,8 millioen, uitvoer 212,6 millioen) en de doorvoerhandel van 25,7 millioen lire. De voornaamste invoerprodukten zijn: vetten, oliën, katoen, steenkool, hout, wijn, brandewijn en meel; uitgevoerd wordt er hoofdzakelijk: garens, weefsels, graan en meeL

Venetië is de zetel van een prefect, van een Hof van Appèl, een gerechtshof, een Katholieken par triarch^een Armeenschen aartsbisschop, een Kamer van Handel en Nijverheid enz. Venetië is een vesting, die aan de landzijde beveiligd wordt door het fort Malghera en door 14 op de lagunen gelegen kleinere werken, aan de zeezijde door de forten San Niccolo op de Porto di Lodo, Alberoni en San Pietro op de Porto di Malamoco en door 12 kleinere werken op de lidi's. Ook de werken van Chioggia en het fort van Brondolo behooren nog tot het verdedigingsstelsel van Venetië. In het Z. O. van de stad vindt men de Giardini pubblici in 1807 onder Napoleon als wandelplaats aangelegd. De stad heeft locaal stoombootverkeer met de Lido, waar men druk bezochte zeebaden en plantsoenen vindt. De begraafplaats bevindt zich op het eiland San Michele.

Geschiedenis. Aan den noordwestelijken oever van de Golf van Venetië woonden in de Oudheid de Venetiërs, waarschijnlijk afkomstig uit Illyrië; naar hen werd het land Venetia genaamd. Na de verwoesting van Aquileja en andere steden door Attila (452) namen vele bewoners van het vaste land de vlucht naar de eilanden in de lagunen. Hun kleine democratische gemeenten werden geregeerd door tribunen onder de souvereiniteitder exarchen van Ravenna. Om zich te beveiligen tegen de Longobarden en de Dalmatische zeeroovers, kozen de bewoners in 697, Palucius tot dux (doge) voor levenslang. Het oppergezag van den Griekschen keizer werd bij voortduring erkend. Eerst in de 10'Je eeuw nam zijn macht af en in de llde eeuw was Venetië feitelijk een onafhankelijke republiek.De waardigheid van doge werd in de 9de en 10de eeuw meestal bekleed door leden van eenige voorname families. Een aantal heerschers trachtten dit ambt erfelijk te maken door hun zoons tot mederegent te benoemen. In de 10de eeuw waren het voornamelijk de dogen uit het Huis Candiano, die het aanzien van Venetië vermeerderden. Daarop volgden dogen uit het Huis Orseolo, waarvan Peter II (991—1009) de meest bekende is; hij breidde de heerschappij van Venetië uit over de kust van Adria en nam den titel

hertog van Venetië en Dalmatië aan. Onder de regeering van zijn zoon Otto ontstonden er binnenlandsche oneenigheden, tengevolge waarvan in 1032 een wet werd uitgevaardigd, waarbij de aanstelling van mederegenten werd verboden. Daardoor werd de erfelijkheid van het ambt van doge tegengegaan. Bij belangrijke regeeringsaangelegenheden beraadslaagden de dogen met de voornaamste en aanzienlijkste burgers (sapientes = wijzen genoemd), de volkvergadering kwam alleen bij de keuze van een doge en bij een beslissing over oorlog of vrede bijeen. Door een privilege van 1082 kreeg Venetië voor de ondersteuning, die het den Grieken tegen de Noormannen verleende, handelsvoorrechten in het Byzantijnsche rijk. Aan den doge Vitale Faliêri (1084—1096) werd door den Griekschen keizer de heerschappij over Dalmatië en Grieksch Istrië afgestaan. Vooral de Kruistochten deden den handel en de heerschappij ter zee der Venetianen toenemen. De kooplieden verdienden schatten door de verzorging der Kruislegers, en de staat verwierf in het Oosten vaste steunpunten voor de uitbreiding van zijn gezag. Maar terwijl de macht der republiek in het buitenland toenam, voerde in het binnenland de aristocratie strijd met het volk en zocht de doge zijn macht te vergrooten. Nadat volgens de gewone lezing in een daardoor veroorzaakt oproer de doge, Vitale Michiéle, in 1172 vermoord was, in elk geval in het begin van de 12de eeuw, ontstond er een vaste organisatie van het college van de sapientes, dat nu als Groote Raad (Consiglio Maggwre) den doge en zijn bestuurscollegie (ministerie) van 6 raadsleden (de Signoria) den zoogenaamden Kleinen Raad ter zijde stond. Een rechtscollegie werd gevormd door de Veertigen (Quaranti), oorspronkelijk een crimineele rechtbank, die allengs veranderde in een staatkundig lichaam, tusschen de Signoria en den Grooten Raad geplaatst, dat over de voorstellen van eerstgenoemde beraadslaagde. Aan het hoofd der Quaranti bevonden zich drie capi (oppersten), die later leden werden der Signoria. Verder ontstond er langzamerhand een Senaat (Consiglio de'' Pregadi), die de buitenlandsche politiek leidde. Door al deze lichamen werd de macht van den doge beperkt. In 1177 werd te Venetië de bijeenkomst van paus Alexander III en keizer Frederik I gehouden. De grootheid der republiek als handeldrijvende mogendheid bereikte het toppunt onder den 418ten Doge, Enrico Dandolo. Deze veroverde als bevelhebber der Venetiaansche vloot gedurende den vierden Kruistocht in 1203 Konstantinopel, hielp het Latijnsche keizerrijk stichten, dat aan de Venetianen de heerschappij in het Oosten bezorgde, en bemachtigde Kandia, benevens onderscheiden andere eilanden. Naijver van de zijde van Genua deed een langdurigen oorlog ter zee ontstaan tusschen de beide republieken, waarbij Korfu in handen der Venetianen viel. Groote nadeelen bracht het herstel van het Byzantijnsche keizerrijk (1261) aan Venetië, daar de Genueezen, die veel tot den val van het Latijnsche keizerrijk hadden bijgedragen, op het gebied van den Griekschen keizer groote voorrechten genoten en zich meester maakten van den handel op de Zwarte Zee. De Venetianen knoopten nu betrekkingen aan met de Arabische rijken, om hun Oost-Indische waren uit Alexandrië te kunnen halen. De oorlog tusschen de beide handel

Sluiten