Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op palen gebouwd dorp bij het tegenwoordige Coro Venezuela, met den tegenwoordigen naam (Klein Venetië) bestempeld. Ook noemde men haar Tierra Firma of Castilla del Oro. In 1528 werd dit gewest door Karei V aan het bankiershuis Welser te Augsburg in pand gegeven als een Spaansch leen voor gemaakte schulden. Er werden wel expedities heengezonden, doch van den rijkdom van het land werd geen partij getrokken, zoodat de keizer hun concessie in 1552 vervallen verklaarde. Sedert 1546 vormde Venezuela het kapitein-generaalschap Caracas. Reeds in 1810 rukte Venezuela zich van Spanje los en proclameerde den 5den Juli 1811 zijn onafhankelijkheid. Tot tweemaal toe, in 1811 en 1814, werd het door de Spanjaarden tot onderwerping gebracht, maar ook tweemaal door Bolivar bevrijd en door de grondwet van den 17den December 1819 met NieuwGranada en Quito tot den bondstaat Columbia (zie aldaar) vereenigd. In 1830 evenwel maakte Venezuela zich daarvan los, om vervolgens een zelfstandigen staat in den vorm van een in onderscheiden provinciën verdeelde republiek te vormen. De eerste president van deze was José Antonio Paez, die met groot beleid de republiek voor de schokken bewaarde, waaraan Nieuw-Granada en Ecuador na het verbreken van den vroegeren band met Spanje waren blootgesteld. De tweede president was Vargas (1835) en deze werd in 1839 weder opgevolgd door Paez. Onder Carlos Soublette werd in 1843 de grondwet herzien en bij het Verdrag van Madrid van 1845 werd de onafhankelijkheid der republiek door Spanje erkend. Met uitzondering van eenkortstondigenburgeroorlog in 1835 genoot de republiek in het algemeen vrede in het binnenland; in 1846 barstte echter een rassenoorlog uit tusschen de blanken en de kleurlingen, dien Paez, met het dictatorschap bekleed, weldra onderdrukte. Vanaf 1847, toen José Tadeo Monagas president werd, ontstond er een tijdperk van voortdurende verwarring. Hij regeerde met verregaande willekeur; toen de afgevaardigden naar het Congres tegen zijn voorstellen in verzet kwamen, liet hij ze op een bloedige wijze uiteenjagen, en noodzaakte Paez en zijn aanhangers het land te verlaten. Onder hem en zijn broeder Gregorio had er een voortdurende strijd plaats tusschen Federalisten en Oligarchen, waardoor het land veel te lijden had. In 1858 bewerkte generaal Juliano Castro, dat de dynastie Monagas moest aftreden. Castro trok daarop binnen de muren van Caracas en benoemde er een Voorloopig Bewind, terwijl hij zich zelf aan het hoofd der zaken plaatste. Den 5den Juli werd een nationaal Congres te Valencia bijeengeroepen, om aan het land een constitutie te geven, doch ook na de afkondiging van deze den 29sten Januari 1869 was de twist tusschen de partijen geenszins beslecht. Weldra ontstonden er nieuwe onlusten. In Augustus werd generaal Castro ten val gebracht, waarna men in April 1860 Tovar tot president en Gual tot vice-president benoemde. Maar reeds in Augustus deden de Federalisten nieuwe volksbewegingen ontstaan, en nadat Tovar het presidentschap neergelegd had, werd Paez tot dictator uitgeroepen

De burgeroorlog duurde echter voort. Eerst den 23«ten Maart 1863 kwam eindelijk te Cocha bij Caracas tusschen de Federalisten en de Regeeringspartij een vredesverdrag tot stand, volgens hetwelk uit elke provincie vier (van elke partij twee) vertegenwoordigers tot het verkiezen van een nieuwen presi¬

dent zouden bijeengeroepen worden. Deze kozen den 17den Juli 1863 generaal Falcon, den aanvoerder

i -i-ii f , ï • J. ~rv

aer r eaeraiisten, tot voonoopig presiuem. wlv riep een constitueerende vergadering bijeen, welke de nieuwe federatieve grondwet van den 28s,en Maart

1864 afkondigde, waardoor Venezuela in een statenbond veranderd werd. Op het congres te Caracas in

Maart 1865 werd Falcon tot president gekozen. De

republiek genoot nu gedurende eenige jaren rust, doch was niet in staat, haar verwarde financiën weder in orde te brengen. In Februari 1868 brak er opnieuw een burgeroorlog uit, die langen tijd onbeslist bleef en waaronder het land zeer leed. In April 1870 wierp generaal Antonio Guzrnan Blanco, een aanhanger der Federalisten, zich in de hoofdstad tot voorloopig president der republiek op; hij werd tot die betrekking wettig gekozen in 1873 en behield haar tot 1877. In 1874 werd een nieuwe grondwet afgekondigd en de president regeerde met kracht. Kon hij ook de groote schuldenlast niet uit den weg ruimen, toch begon hij weder rente te betalen, handhaafde de orde, verzette zich tegen de aanmatigingen der geestelijkheid, hief in 1874 de kloosters op en bracht zelfs den 9den Mei 1876 een Nationale Kerk van Venezuela tot stand. Hij geraakte in conflict met Nederland, voor welks schepen hij, wegens de smokkelarij uit Curaijao, de havens van Venezuela gesloten had, doch wist daaraan weldra een einde te maken. Nadat van 1877—1879 drie presidenten elkander snel waren opgevolgd, werd in Mei 1879 Guzrnan Blanco opnieuw president. Deze bleef aan het bewind tot den 20"ten Februari 1884 en werd toen vervangen door generaal Joaquin Crespo, wiens ambtstijd in 1886 eindigde. Tot zijn opvolger werd wederom Guzrnan Blanco gekozen, die echter in 1877 tengunste van Lopez afstand deed. Nieuwe partijtwisten waren oorzaak, dat deze reeds in het volgende jaar aftrad, waarop Rojas Paul tot president werd gekozen, die in 1890 plaats maakte voor Andueza Palacio. Deze trachtte den duur van het presidentschap van 2 jaar op 4 jaar te brengen en bleef in 1892 ook in het bezit van zijn ambt, ofschoon deze kwestie nog niet was opgelost. Tegen hem verzette zich een partij onder aanvoering van Crespo. Een burgeroorlog brak uit, waarin Crespo Palacio verdreef. In 1893 kwam een nieuwe grondwet tot stand. Crespo, die aanvankelijk als dictator geheerscht had, werd in 1894 voor 4 jaar tot president gekozen. Een grensstrijd met Engeland, die reeds lang gedreigd had, nam in 1895 een ernstige wending. De Vereenigde Staten van Noord-Amerika wisten te bewerken, dat de kwestie aan het oordeel van een scheidsgerecht werd onderworpen, dat den 3den October 1899 uitspraak deed. In 1898 was Crespo door Ignacio Aiidrade vervangen. De tegencandidaat Hernandez verwekte een opstand, doch werd gevangen genomen. In 1899 ondernam general Cypriano Castro een veldtocht, die hem in korten tijd van uit de Andes voor de poorten van Valencia bracht. Na den slag van Tocuyito trad Andrade af, Castro deed den 238tel1 October 1899 zijn intocht te Caracas en liet zich tot dictator uitroepen. Hij wist zich tegen andere tegencandidaten staande te houden en verkreeg in 1901, na de invoering van een nieuwe grondwet, het presidentschap voor den tijd van 6 jaar.

Binnenlandsche onlusten, zooals de opstand van generaal Matos, wist Castro te onderdrukken. Met

Sluiten