Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Egmond belegerd, in 1473 door Karei den Stoute en in 1481 door Maximüiaan van Oostenrijk ingenomen. In laatsgenoemd jaar trad zij tot den Hanzebond toe. Ook later werd zij herhaaldelijk aangevallen of belegerd, ook in 1578 en in 1586 door de Spanjaarden, in 1597 en 1606 door prins Maurits, in 1632 en 1646 door Frederik Hendrik, in 1637 door Spanje, in 1702 door de Geallieerden en in 1794 door de Franschen. In 1830 trokken de Belgische troepen er binnen, in 1839 kwam de stad weer aan Nederland. Met de ontmanteling van Venlo als vesting is men in 1868 begonnen, tengevolge van het Londensch tractaat van 11 Mei 1867, waarbij alle betrekkingen van Limburg tot den Duitschen Bond werden opgeheven.

Venn, Das Hohe, is de naam van een met veen bedekte hoogvlakte in het Pruisisch distrikt Aken, vooral in de arrondissementen Eupen, Montjoie en Malmedy, maar strekt zich ook nog uit tot in de arrondissementen Aken en Diiren. In het N. daalt het met een scherpe grens naar de laagvlakte af, in het W. en Z.W. gaat het over in de Ardennen, in het Z. O. en O. in de Eifel. Het eigenlijke Hohe Venn met de bronnen van de Helle en de Roer beslaat de aaneengeschakelde veengronden, welke zich van de dorpen Lammersdorf en Rötgen in het noorden tot aan de Warche in het zuiden uitstrekken met een lengte van 28 en een breedte van 6—-18 km., terwijl het in het zuiden de grenzen van België overschrijdt. Aan de oostzijde ügt de stad Montjoie, vanwaar wegen naar Aken en Eupen door deze onherbergzame hoogvlakte loopen. Het hoogste punt is de Botrange (695 m. hoog). Behalve veengronden heeft men er uitgestrekte wouden en weilanden. Aan den noordelijken voet van het Hohe Venn ligt het steenkolengebergte van Aken aan de Inde en aan de Wurm.

Venne, Adriaen Pietersz. van de, een Hollandsch historie-, landschap-, genre- en portretschilder, werd geboren te Delft in 1587 en overleed te 's Gravenhage in 1662. Hij was een leerling van Simon de Valck, goudsmid te Leiden, daarna van Jeronimus van Diest, een grisaille-schilder te 's Gravenhage. Van 1614—1624 woonde hij te Middelburg, waar zijn vader boekhandelaar, uitgever en kunsthandelaar was. Deze gaf er prenten uit naar schilderijen en teekeningen van zijn zoon. Het werk van den Fluweelen Brueghel heeft zonder twijfel grooten invloed op hem uitgeoefend. De schilderijen uit v. d. Venne's eerste periode (vóór 1625) doen door hun schitterende kleur, correcte teekening en aardige figuurtjes sterk aan de beste werken van dien meester denken. Goede voorbeelden uit dien tijd bezit het Rijksmuseum te Amsterdam. In 1625 werd v. d. Venne lid van het Lucasgilde te 's Gravenhage, in 1639 werd hij deken ervan. Hij behoorde tot degenen, die er in 1656 de nieuwe schilders-confrerie oprichtten. Omstreeks 1625 liet van de Venne zijn eerste schilderwijze varen, hij schilderde daarna slechts schilderijen in één kleur, die dikwijls zwak van teekening zijn. Gewoonlijk stellen zij grappige tafereelen uit het boerenleven voor, waaraan hij bovendien vaak een spottend spreekwoord toevoegt. Behalve schilderijen heeft hij een groot aantal fraaie teekeningen gemaakt, vooral ter versiering van de werken van Jacob Cats. Ook als dichter heeft hij van zich doen

spreken. Van de Venne was tijdens zijn leven zeer gezien; hij ontving bestellingen van de prinsen van Oranje en van den koning van Denemarken, van wie hij verscheidene portretten maakte. Zijn vroege werken zijn nog heden ten dage zeer gezocht. Schilderijen van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. in het Rijksmuseum te Amsterdam, in het Mauritshuis te 's Gravenhage en in het Museum Boymans te Rotterdam.

Vennootschap of maatschap is volgens art. 1655 van ons Burgerlijk Wetboek een overeenkomst, waarbij twee of meer personen zich verbinden, iets in gemeenschap te brengen, ten einde het daaruit ontstaande voordeel met elkander te deelen. Een vennootschap moet een geoorloofd onderwerp hebben en tot gemeenschappelijk belang der partijen aangegaan worden. Ieder vemioot moet iets inbrengen, hetzij geld, goederen of arbeid. Vennootschappen kunnen volgens de wet algeheele. of bijzondere wezen. De wet kent slechts algeheele maatschap van winst — d. w. z. van alles wat partijen tijdens den duur der maatschap door hun arbeid zullen verkrijgen — en verbiedt alle maatschappen, hetzij van al de goederen, hetzij van een bepaald gedeelte van deze, onder een algemeenen titel. Bijzondere maatschap is de zoodanige, die betrekking beeft tot bepaalde zaken of tot haar gebruik of tot de daardoor opgeleverde vruchten, of tot een bepaalde onderneming, of tot de uitoefening van eenig bedrijf of beroep. De vennootschap neemt een aanvang met het oogenblik der overeenkomst, indien daarbij geen ander tijdstip is bepaald, en eindigt: 1°. door verloop van den tijd, voor welken zij is aangegaan; 2°. door vernietiging der zaak of volbrenging der door de vennootschap beoogde handeling; 3°. door den wil van een of meer deelgenooten, en 4°. door den dood of de curateele van éen hunner, of indien hij in staat van faillissement verklaard wordt. Is de vennootschap niet voor een bepaalden tijd aangegaan, dan kan elk der vennooten opzegging doen, mits deze niet geschiede ontijdig of te kwader trouw. Bij de akte van vennootschap worden gewoonlijk bepalingen gemaakt over de verdeeling der winsten en verliezen; is dienaangaande niets bepaald, dan geschiedt de verdeeling in evenredigheid van ieders inbreng; hij, die alleen arbeid heeft ingebracht, wordt daarbij gelijk gesteld metdengene, die het minst aan goederen ingebracht heeft. Wat het beheer der vennootschap betreft, ook hierin wordt gewoonlijk door partijen voorzien; is daaromtrent niets bepaald, dan worden de vennooten geacht elkaar over en weer de bevoegdheid tot beheer te hebben gegeven. Ten aanzien van derden is in 't algemeen alleen de vennoot, die met hen gehandeld heeft, verbonden; de overigen kunnen alleen door den derde worden aangesproken, indien zij volmacht hadden gegeven of de zaak ten voordeele der maatschap heeft gestrekt. Ook in deze laatste gevallen zijn de vennooten niet hoofdelijk, maar ieder voor een deel verbonden. — De tot hiertoe medegedeelde wetsbepalingen worden aangetroffen in het Burgerlijk Wetboek (Boek III, Titel IX). Daarnaast behandelt het Wetboek van Koophandel (Boek I, Titel III) de vennootschappen van koophandel, die in de practijk van meer belang zijn dan de burgerlijke maatschappen. In zaken van koophandel erkent de wet drie soorten van vennootschap; 1°. Vennootschap onder een firma; 2°. Vennootschap bij

Sluiten