Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van stoommachines, (zie aldaar), waar de beweging van het ventiel (klep) niet slechts afhangt van den overdruk van de stoom, maar ook van de belasting van de veiligheidsklep.

Bij muziekinstrumenten komen eveneens automatische en niet-automatische ventielen voor. De eerste treft men alleen aan bij orgels, waar zij dienen om den luchttoevoer naar de kanalm te regelen. De niet-automatische of speelventielen, welke ook in blaasinstrumenten aanwezig zijn en die door een veer op hun plaats gehouden worden, dienen om den luchtstroom toegang tot de pijpen te geven. Zij worden bewogen met behulp van een hefboommechanisme, waarvan de toetsen het begin, de ventielen het einde vormen.

Ventilatie of Luchtverversching noemt men het vervangen van min of meer bedorven lucht door versche, in vertrekken, waar de lucht door de produkten der ademhaling, der uitwaseming enz. van menschen, door die van verbrandingsprocessen en door de werkzaamheden, welke er in verricht worden, verontreinigd is. Den graad van verontreiniging beoordeelt men naar het koolzuurgehalte der lucht, omdat de koolzuurvorming tot die van andere, hierboven genoemde verontreinigingen in een bepaalde verhouding staat. Bedraagt dit gehalte meer dan 0,07%, dan neemt men aan, dat de lucht verontreinigd is. Daar nu de vrije lucht gemiddeld reeds 0,03% koolzuur bevat en een volwassen persoon per uur minstens 18 L. koolzuur uitademt, zou men per volwassene en per uur dus minstens 100 000 L. versche lucht in een bewoonde ruimte moeten brengen, om beneden de genoemde grens van 0,07% te blijven. Intussclien is ventilatie in zulk een omvang dikwijls niet te bereiken, eenerzijds door technische moeilijkheden, anderzijds omdat zij schadelijke gevolgen voor de gezondheid zou kunnen hebben. Men bepaalt zich dan ook in de praktijk gewoonlijk tot het bereiken van een koolzuurgehalte van 0,001—0,0015. Bovendien wordt de omvang, waarin op kunstmatige wijze in de luchtverversching moet worden voorzien, gewijzigd door de vrijwillige ventilatie, welke door de poriën der wanden, voegen, reten enz. plaats heeft.

Hoe grooter de hoeveelheid versche lucht is, welke per uur moet worden toegevoerd, in verhouding tot de ruimte, die per hoofd aanwezig is, des te grooter moet de snelheid der aangevoerde lucht zijn. Daar echter luchtstroomingen van meer dan 0,3 m. snelheid onaangenaam op de huid inwerken, kan dus de ruimte, welke per hoofd beschikbaar is, niet beneden een zekere grens blijven. Soyka, Hirt en Popper meenen, dat per hoofd een vrije ruimte van 15 kub. m. moet beschikbaar zijn; brengt het bedrijf zelf luchtverontreiniging met zich mede, dan is een vrije ruimte van 20 kub. m. noodig.

De vrijwillige of natuurlijke ventilatie blijkt in het algemeen grooter te zijn, dan men gewoonlijk aanneemt. In een werkkamer van 75 kub. m. inhoud werden, bij een buitentemperatuur van—1° C. en een binnentemperatuur van 18° C., per uur 75 kub. m. lucht ververscht. Sloot men echter alle deur- en vensterreten af, dan daalde dit bedrag tot 54 kub. m. Daarbij komt de ventilatie door het nu en dan openen van vensters en deuren, zoodat men mag aannemen, dat onder gewone omstandigheden voor eenigermate ruime woonkamers, waarin

niet te veel menschen vertoeven, een afzonderlijke ventilatieinrichting niet strikt noodig is.

Het vrij groote bedrag der natuurlijke ventilatie moet in de eerste en voornaamste plaats verklaard worden uit de poreusheid van de wanden. Zij hangt samen met den aard van het materiaal, met de meerdere of mindere vochtigheid der wanden en met de inrichting. Bovendien wordt zij vermeerderd door eventueele verwarmingstoestellen. Brandende kachels onttrekken de lucht, welke zij noodig hebben, aan de kamer en ook de verwarmde schoorsteen werkt ventileerend. Daarnaast ventileert men woonkamers door het openen van een venster. Terwijl bijv. bij een proef de luchtverversching met gesloten vensters 22 kub. m. per uur bedroeg, nam zij, onder dezelfde omstandigheden behoudens het openen van een venstervleugel van 0,8 v. m. oppervlakte, toe tot 24 kub. m. Somtijds ook brengt men in het venster kleppen of jaloezievormige ventilatieinrichtingen aan. Waar een meer intensieve ventilatie vereischt wordt, moet men van meer samengestelde toestellen gebruik maken. Men bouwt dan afzonderlijke kanalen, welke de ruimte met de buitenlucht in verbinding brengen; hun werking kan men verhoogen door ze te verwarmen. Dit bereikt men door hen tusschen of naast warme buizen aan te brengen, zooals in onze keukenschoorsteenen; of wel, men voorziet hen van luchtzuigers, welke den invloed van gunstige windrichtingen op de bovenzijde van de zoogenaamde pIG 2. luchtschacht moeten versterken en

dien van ongunstige verminderen of omzetten in een gunstige. Men onderscheidt vaste (fig.1) en beweegbare (fig. 2), luchtzuigers, waarvan de werking voldoende uit de afbeeldingen blijkt.

Fig. 1.

Luchtzuiger van Wolpert.

Luchtzuiger van Noworth.

Intusschen blijft men bij al deze wijzen van ventilatie min of meer afhankelijk van uitwendige invloeden, welke men niet beheerscht. Bij de kunstmatige ventilatie met behulp van toestellen, gedreven door lucht- of waterdruk, electriciteit enz. maakt men zich daarvan geheel vrij. Bij deze kan men overeenstemming tusschen den afvoer van bedorven en den toevoer van versche lucht bereiken; deze laatste kan dan bovendien, voor zoover zulks noodig is, van stof bevrijd en vochtig gemaakt worden. Behalve van de kunstmatige zuigluchtverversching kan men daarbij van drukluchtverversching gebruik maken. Voor beide doeleinden dienen radblaaswerktuigen (ventilatoren), wanneer grootere hoeveelheden lucht moeten vervoerd worden; zij vin-

Sluiten