Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die in de jaren I, II, III, V, VI en VII van den jgaen Februari tot den 2O8"'11 Maart duurde, in het jaar IV van den 20sten Februari tot den 20fi,en Maart in de jaren VIII—XI en XIII van den 208ten Februari tot den 21eten Maart, in het jaar XII van den 21»ten Februari tot den 21"en Maart van den Greguriaanschen kalender.

Venus, de tweede planeet van ons zonnestelsel en de schitterendste van alle sterren, was reeds in de Oudheid als Hesperus (Avondster) en Phosphorus (Lucifer, Morgenster) bekend. Pythagoras schijnt de eerste geweest te zijn, die tot het inzicht kwam, dat beiden één waren. Venus behoort met Mercurius tot de binnenplaneten en vertoont, evenals deze, dezelfde schijngestalten als de maan (zie Planeet). Deze schijngestalten kan men intusschen met het bloote oog niet waarnemen, en eerst Galilei nam in 1610 met een kijker de sikkelvormige gedaante van Venus waar. Haar baan wijkt in vorm minder dan die van eenige andere planeet van ons zonnestelsel af van een cirkel; zij vormt een hoek van 3° 23,6' met de ecliptica; haar excentriciteit bedraagt slechts 0,00682 en haar gemiddelde afstand 0,72333 der gemiddelde halve middellijn van de aardbaan of 108,1 km. Zij doorloopt haar baan in 224,701 dagen met een snelheid van 35 km. per uur. In haar benedenste conjunctie komt zij dichter bij de aarde dan een der andere planeten; zij kan haar naderen tot op een afstand van 42 milMoen km., terwijl zij in bovenste conjunctie 258 millioen km. van haar verwijderd is. Haar grootste helderheid bereikt zij niet, wanneer zij haar geheel verlichte schijf naar ons houdt toegekeerd, omdat zij dan het verst van ons verwijderd is, en evenmin in haar benedenste conjunctie, omdat zij dan haar donkere zijde naar ons toekeert, maar ongeveer 38 dagen vóór en na de benedenste conjuctie. Haar schijnbare middellijn bedraagt dan omstreeks 40" en de grootste breedte van den verlichten sikkel nauwelijks 10", maar haar helderheid is dan zóó groot, dat men haar zelfs op den middag met het bloote oog kan waarnemen. Haar schijnbare middellijn schommelt, tengevolge van haar afwisselenden afstand tot de aarde, tusschen 9,3 en 58,1". Op den gemiddelden afstand van de aarde tot de zon bedraagt volgens metingen van Auwers de schijnbare middellijn van Venus 16,801' overeenkomende met een ware middellijn van 0,955 van die der aarde (= 12 200 km.) en een volumen van 0,87 van dat der aarde. De massa van Venus bedraagt volgens Newcomb 1/m „oo van de zonsmassa en 0,795 van de massa der aarde. Haar dichtheid is 0,93 van die der aarde of 5,1 maal die van water; de zwaartekracht op haar oppervlakte is 0,87 van die op de aarde. Een afplatting aan de polen heeft men bij Venus niet waargenomen. Uit de waarneming van eenige matte vlekken op de schijf der planeet, vooral echter uit den regehnatigen terugkeer van een afknotting van den zuidelijken hoorn van haar schijngestalte, hebben reeds Cassini (1667). Bianchini, Schröter en de Vico den duur harer aswenteling bepaald op 23 uren 21 minuten. Schiaparelli meende een aswentelingstijd van 225 dagen te moeten aannemen. Daarnaar zou Venus hetzelfde verschijnsel als Mercurius en de maan vertoonen, dat n.L de tijd der aswenteling gelijk is aan den omloopstijd. Intusschen wijzen de nieuwste waar¬

nemingen weder op een aswentelingstijd van 23 uren en 57,6 minuten. Verschillende omstandigheden wijzen op de aanwezigheid van een dampkring, vooral het nevelachtig voorkomen der vlekken en de sterke vermindering in lichtintensiteit naar de grenzen van het verlichte deel der schijf. Waarschijnlijk bevindt zich in de atmosfeer van Venus een dikke laag condensatieprodukten, terwijl ook het spectrum tot de aanwezigheid van waterdamp doet besluiten. Ondanks het feit, dat verschillende waarnemers, zooals Fontana, Cassini, Short e. a., een maan bij Venus meenden te hebben waargenomen, staat het thans vast, dat zij geen maan heeft.

Evenals bij Mercurius vindt ook bij Venus, wanneer haar benedenste conjunctie valt in de nabijheid van één der knoopen harer loopbaan, een zoogenaamde zonsovergang plaats, waarbij de planeet in de gedaante van een kleine zwarte schijf van het O. naar het W. over de zon heentrekt. Het eerst werd zulk een overgang waargenomen in Engeland door Horrox en CraUree den 24Bten November 1639. Zij komen 4 maal in een tijdsverloop van 243 jaar voor, en wel na 8, 105,5, 8 en 121,5 jaar. Bij de tegenwoordige ligging der baan vallen zij in Juni en December. De laatste had plaats den 6aen December 1882, de eerstvolgende valt op den 88'®11 Juni 2004. Zij zijn van groot belang voor de bepaling ber parallaxis van de zon en daardoor voor de bepaling van den afstand der zon tot onze aarde.

Venus (= aanvallige, liefelijke) was oorspronkelijk bij de Romeinen de godin van de tuinen, groenten en wijngaarden. Haar naam was aanleiding, dat zij geïdentificeerd werd met de Grieksche Aphrodite, de godin van de schoonheid en de liefde. Als Venus genetrix werd zij in het bijzonder vereerd onder Julius Caesar, daar deze zijn geslacht afleidde van haar kleinzoon Julius, den zoon van Aeneas. Zie verder Aphrodite.

Venusberg- is volgens de Duitsche sage een berg, waarin „Vrouw Venus" zich bevindt met een vorstelijke hofhouding. Zij tracht ook menschen in haar verblijf te lokken, die ten koste van hun zaligheid daar een leven van genot en vreugde leiden (zie Tannhauser). Aan den ingang echter houdt de getrouwe Eckart de wacht, om allen, die er naderen, te waarschuwen. Gewoonlijk wordt de Hörseïberg bij Eisenach voor den Venusberg gehouden.

Venushaar. Zie

Adumthum.

Venusschelpen (Veneridae), een familie der mossels, hebben gewoonlijk een langen en puntigen, zelden een dikken voet, aan de basis vergroeide (en dan aan de opening van franje voorziene, of tot aan het einde vergroeide syphons en

regelmatige, ovale of Venusschelp.

driehoekige schalen, r

die plat of geribd en dikwijls fraaie, vooral rose gekleurd zijn. Zij komen voor in alle zeeën, vooral echter in de tropen. Verschillende venusschelpen worden

Sluiten