Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in viertact; er komt dus slechts ééne explosie van gebruikte brandstof (gewoonlijk ruwe petroleum) op elke twee omwentelingen voor. Terwijl bij eenen gewonen viertact-motor gedurende den eersten slag het gasmengsel in den cylinder wordt gezogen en dit bij den teruggaanden slag tot op 4 a 10 atmosf. wordt samengeperst, waarna door eene ontsteking door eene electrische vonk of door eene gloeibuis de voor de krachtsontwikkeling noodige druk tot 17 a 28 atmosfeer wordt verkregen, welke gassen zich daarna expandeeren gedurende de arbeidsperiode, wordt bij den Bronsmotor, evenals bij den Dieselmotor, zuivere atmosferische lucht door de inlaatklep aangezogen gedurende de eerste periode. Tegelijkertijd wordt bij den Bronsmotor in het bakje van een verstuiversapparaat brandstof ingezogen en wel zooveel als voor één lading van den cylinder noodig is. Deze brandstoftoevoer is een groote afwijking van de wijze als dit bij den Dieselmotor gebeurt, waar de brandstof met behulp van een brandstofpomp in den verstuiver wordt gebracht en daarin door middel van druklucht eener hoogdrukperspomp wordt verstoven. Bij den tweeden opgaanden slag wordt in den Bronsmotor de ingezogen lucht tot op een druk van ongeveer 32 atmosfeer gecomprimeerd. De warmteontwikkeling hierbij heeft ten gevolge, dat er eene temperatuur wordt verkregen, waarbij de olie kan ontbranden. Er zal dan in het bakje eene explosie plaats grijpen en deze drijft de brandstof in den cylinder, waar het nu snel ontbrandt. Echter is er een zekere tijd noodig om de verbranding te doen plaats hebben en dit vormt de gelijkdrukperiode, zoodat ook de Bronsmotor tot de gelijkdrukmotoren behoort.

Ten gevolge van die verbranding volbrengt de zuiger zijn derde periode, den arbeidsslag. Bij den daarna volgenden vierden slag worden de verbrandingsgassen door de uitlaatklep uit den cylinder gedreven. Daar er in afwijking met Dieselmotoren geen druklucht aanwezig behoeft te zijn voor het invoeren der brandstof, zoo dient de luchtcompressor, welke de lucht comprimeert tot op 14 atm. en die men bij grootere motoren aantreft (zie plaat II fig., 2) alleen om druklucht te geven voor het aanzetten. De kleinere motoren (zie Plaat II, fig. I) worden door middel van een aanzetzwengel in beweging gebracht. Gedurende het ronddraaien van het vliegwiel wordt de uitlaatklep bij elke omwenteling geopend, opdat er geen compressie in den cylinder ontstaat. Heeft het vliegwiel eenige snelheid verkregen, zoo is de energie, daarin opgehoopt, voldoende, om de compressie te overwinnen en wordt door omschakeling der nokken de motor in normale werking gebracht. De grootere motoren van meer dan 12 PK worden door middel van druklucht in gang gebracht, en loopen daartoe tweetact aan. Is er in het vliegwiel energie genoeg opgehoopt, dan sluit men de druklucht af en schakelt op viertact. De omschakeling is zoodanig ingericht dat ze alleen plaats kan hebben als de drukluchttoevoer is afgesloten, terwijl indien de omschakeling heeft plaats gehad, de inlaatdruklucht niet meer geopend kan worden.

Verbruikersbonden zijn vereenigingen van verbruikers, die ten doel hebben hare leden te verbinden niet te koopen in die winkels of van die fabrikanten, welke aan hun personeel ongunstige

arbeidsvoorwaarden geven. Ze doen dit om van de zijde der consumenten de sociale politiek te steunen. Het denkbeeld om zulke bonden op te richten, ging uit van Amerika, waar te New-York in 1891 The Consumers League werd gesticht. Die bond liet werkplaatsen en magazijnen inspecteeren en na goedbevinding plaatsen op een zoogenaamde witte lijst. De leden waren dan verplicht bij de op die lijst geplaatste firma's te koopen. Dit voorbeeld werd niet alleen in de Vereenigde Staten, maar ook in Engeland en Frankrijk gevolgd. In Amsterdam werd in 1901 zulk een bond opgericht, die na een kwijnend bestaan van een paar jaren tenietging. Van het nut van zulk een bond is het groote publiek moeilijk te overtuigen.

Verbruikleening'. Zie Bruikleening.

Verbruiksbelasting-en treffen het verbruik van levensmiddelen of andere verbruikszaken. Zij worden steeds indirect geheven, d. w. z. niet van dengene, die haar ten slotte betaalt. Hoewel deze belastingen uit het inkomen moeten worden voldaan, loopen zij toch niet evenwijdig aan de belaslasting op het inkomen. De laatste is meestal in meerdere of mindere mate progressief; de verbruiksbelasting kan dat niet zijn, omdat wanneer zij ontvangen wordt, niemand weet wie den door de belasting verhoogden prijs der waar zal betalen. Verbruiksbelastingen worden ook geheven van tijdelijk aanwezige vreemden, die geen inkomstenbelasting betalen. Zij hebben het voordeel, dat de betaler niet in aanraking komt met den fiscus en juist zooveel en zoo dikwijls betaalt, als hij het een of ander verbraiksgoed koopt. Ze leveren echter ook dit gevaar, dat ze den minder welgestelde naar verhouding sterker treffen dan den welgestelde.

Tot deze soort behooren de belastingen op gedestilleerd, bier en wijn, op suiker en zout, op azijn en geslacht. Men kan daartoe ook de invoerrechten rekenen. In andere landen is het aantal dezer belastingen veel grooter, bijv. de stedelijke accijnsen in sommige deelen van Duitschland, in Oostenrijk, Italië en Spanje, de stedelijke oclrois op bijna alle levensmiddelen in Frankrijk, de spoorkaartjesbelasting in Duitschland en in Frankrijk, de tabaksbelasting in Duitschland. De Oostenrijksche en Fransche tabakregies zijn niet anders dan zware verbruiksbelastingen.

Onze Personeele belasting is in zekere mate een verbruiksbelasting, omdat ze geheven wordt naar de vertering, welke afgemeten wordt naar de waarde van woning, van meubilair, naar het dienstpersoneel, naar het bezit van paarden, fietsen of automobielen. Met de andere verbruiksbelastingen verschilt zij in zooverre, dat zij onmiddellijk van den verbruiker geheven wordt. Tot deze verbruiksbelastingen moet ook gerekend worden het debietrecht op tabak, dat door de tegenwoordige regeering ten onzent wordt voorgesteld.

Verbruikscoöperatie. Zie Verbruikersbonden.

Verbuiging of Declinatie noemt men in de taalkunde de verandering, welke de zelfstandige en bijvoegelijke naamwoorden, alsmede de lidwoorden en voornaamwoorden in de verschillende naamvallen ondergaan.

Verbum. Zie Werkwoord.

Vercelli, een arrondissementshoofdstad in te Italiaansche provincie Novara, 131 m. boven den zeespiegel aan den rechter oever van de Sesia,

Sluiten