Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drccht in Zuid-Holland, was van 1826—1828 lector in de toegepaste mechanica te Groningen, daarna directeur vau een school te 's Gravenhage en van 1839 tot aan zijn dood (29 October 1866) hoogleeraar in de wis- en werktuigkunde te Leiden. Hij schreef: „Gronden der toegepaste werktuigkunde" (8 dln., 1828—1837), „Handboek der spherische trigonometrie" (1866), „Handleiding bij de beoefening der spherische trigonometrie" (2de druk, 1856) en „Verhandeling over de methode der kleine quadraten" (1863).

Verdam, Jacób, een Nederlandsch taalkundige, geboren te Amsterdam den 228tei1 Januari 1845, ontving zijn opleiding aan de school van dr. P. Epkemn te Amsterdam, studeerde te Leiden en promoveerde aldaar in de letteren den 14den Mei 1872 op een dissertatie, getiteld: „Tekstcritiek van Middelnederlandsche schrijvers". Nadat hij van 1869 af werkzaam was geweest als praeceptor in de oude talen aan het gymnasium te Leiden, zag hij zich in 1878 benoemd tot hoogleeraar in de letteren aan de universiteit te Amsterdam en aanvaardde die betrekking den 13dcn April van dat jaar met een toespraak, getiteld: „De wetenschappelijke beoefening der Nederlandsche taal in verband met het nieuwe doctoraat". In 1891 vertrok hij als hoogleeraar naar Leiden. Hij is lid van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden, van het Historisch Genootschap te Utrecht, van het Utrechtsch Genootschap, van de Koninklijke Academie van Wetenschappen en van de Vlaamsche Academie. Van zijn geschriften noemen wij: de uitgave van „Episoden uit Maerlant's Historie van Troyen" (1873), van den „Seghelijn van Jherusalem" (1878), van den „Theophilus" (1882), van „Fragmenten van den Middelnederlandschen Aiol", (1883) van Hoofts „Warenar (nieuwe druk, 1885), van Huygms1 „Costelick mal, Voorhout en Cluyswerck" (1884), van VondeVs „Leeuwendalers" (1885), alle uit de serie der door Verwijs gestichte „Nederlandsche klassieken", „De geschiedenis der Nederlandsche taal" (1890. In 1902 omgewerkt en uitgegeven onder den titel: „Uit de geschiedenis der Nederlandsche taal") „Over bezweringsformulieren" (1901), „Middelnederlandsch woordenboek" (dat hij met Ecloo Verwijs in 1883 begon en na diens dood alleen voortzette; zeven deelen zijn reeds verschenen) en „Middelnederlandse!! handwoordenboek" (1908 tot heden). Ook leverde hij een „Levensbericht van Ecloo Verwijs" (1880).

Verdamping; noemt men den overgang van een vloeibaar lichaam in den dampvorm. Zij heeft plaats aan de oppervlakte van de vloeistof, waarvan de temperatuur, tenzij opnieuw warmte wordt toegevoerd, daalt. Men kan de snelheid van verdamping vergrooten door de temperatuur te verhoogen, het oppervlak van de vloeistof te vergrooten en door den gevormden damp weg te voeren. Daar bij de verdamping een groote hoeveelheid warmte, de zoogenaamde latente verdampingswarmte, wordt geabsorbeerd, zonder dat temperatuurverhooging intreedt, is de aanwezigheid van veel water van groot belang voor de temperatuurschommelingen van een klimaat.

Verdamping'smeter, Atmometer, Atmidoineter of Evaporimeter is de naam van een werktuig, waarmede de grootte van de verdamping 'op

verschillende plaatsen van de aardoppervlakte wordt gemeten. Bij den vorm, dien Wild eraan heeft gegeven, rust een schaaltje met een doorsnede van één v. cm. op een wijzerbalans. De graadverdeeling, waarover de wijzer loopt, is zóó ingericht, dat men terstond de hoogte van de laag, welke verdampt is, kan aflezen. Men vult dus het verdampingsvat, totdat de wijzer op 0 staat. Op ieder oogenblik daarna kan men door een eenvoudige aflezing de hoeveelheid water, die in damp is overgegaan, bepalen. Het verband tusschen de aldus verkregen getallen en de hoeveelheid water, door de aardoppervlakte ter plaatse aan de lucht door verdamping afgestaan, is nog niet vastgesteld.

Verde antico of oud groen is de naam van groene gesteenten, die in de Oudheid tot sieraden gebezigd werden. Daartoe behoort vooral het porfldo verde antico, dat in het zuiden van de Peloponnesus gewonnen wordt. Het is een diabasporphyriet det een olijfgroen hoofdbestanddeel, waarin zich bleekgroen veldspaat (labradoriet) en donkergroen augiet bevinden. Men geeft dien naam ook aan serpentijn met aders van witten kalksteen en aan witte kalk met serpentijnaders.

Verde di Corsica is de naam van een fraai gekleurden groenen steen,die als versiering wordt gebruikt. Het is een variëteit van het gabbro (zie aldaar) en bestaat uit grauwwit of blauwachtig wit saussuriet en grasgroen smaragdiet. Deze steen wordt op verschillende plaatsen op Corsica gevonden.

Verdediging; of Defensie noemt men, in tegenstelling met den aanval, die krijgskundige handelingen, waardoor men datgene, wat men bezit, tracht te behouden. De strategische defensie wacht de operaties van den vijand af, de t a c t i s c h e d e f e ns i e heeft betrekking op de houding van de troepen in het gevecht. Van veel belang is de positie, die 'voor de verdediging gekozen wordt. Daar de natuurlijke middelen ter verdediging niet voldoende zijn, maakt men gebruik van versterkingen. Zie verder Versterkingskunst. Voor de verdediging van Nederland zie het hoofdstuk Verdedigingsstelsel bij het artikel Nederland.

Verdeeling. De leer der verdeeling noemt men in de staathuishoudkunde dat deel der economische theorie, dat zich bezighoudt met het maatschappelijk inkomen en het individueele inkomen van hen, die in het productieproces samenwerken; n.1. den grondeigenaar (grondrente), den kapitalist (rente), den arbeider (loon), den ondernemer (ondernemerswinst). Daaronder behooren dus ook de theorieën omtrent grond- en kapitaalseigendom en de socialistische stelsels. Zie onder al die woorden.

Verdek of Dek noemt men de horizontale vlakken, waardoor een schip in twee of meer deelen is verdeeld. Zie Schip.

Verden, een voormalig bisdom, later een hertogdom, thans behoorende tot de Pruisische provincie Hannover, bevatte behalve de stad van dien naam, hoofdzakelijk de ambten Verden en Rotenburg, die door de Wezer, de Aller en de Wümme besproeid werden. De oppervlakte bedroeg ongeveer 24 v. km. De stichting van het bisdom wordt toegeschreven aan Karei den Groote (776). Met zekerheid weet men echter alleen, dat Haruth (808—830), op een synode te Mainz aanwezig,

Sluiten