Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vermeld. Bovendien worden daarin het jaar van het van stapel laten, de namen van den bouwer en den reeder, den datum der laatste controle enz. opgenomen.

Verjaring' wordt in art. 1983 van het Burgerlijk Wetboek gedefinieerd als een middel om door het verloopen van een zekeren tijd en onder de voorwaarden bij de wet bepaald, iets te verkrijgen of van een verbintenis bevrijd te worden. De wetgever wijst hier reeds aanstonds op twee verschillende vormen van verjaring, die men veelal tegenover elkaar stelt als acquisitieve en extinctieve verjaring of als usucapio en praescriptio. Beide vormen hebbenditgemeen, dat door tijdsverloop een eenmaal bestaande feitelijke toestand tot rechtstoestand wordt verheven. De verjaring is ingesteld in het belang der rechtszekerheid. Van hem, die prijs stelt op het behoud van een recht, mag gevergd worden, dat hij dit binnen zekeren tijd kenbaar maakt en daarmede niet wacht, totdat het onderzoek naar het bestaan van het recht wegens het niet meer aanwezig zijn van bewijsmiddelen op onoverkomelijke moeilijkheden zou stuiten. Een grond voor de verjaring als middel om iets te verkrijgen is bovendien, dat, als de verjaring niet bestond, het bewijs van het rechtveelal onmogelijk zou zijn, omdat bijv.hij die een zaakdoor levering verkregen heeft, dan steeds zou moeten aantoonen, dat al zijn voorgangers wettige eigenaren waren. De werking der verjaring is afhankelijk van dengene die er zich op kan beroepen; roept deze de verjaring niet in, dan mag de rechter haar niet ambtshalve toepassen. Voor deacquisitieveverjaringisnoodigeen voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig bezit. Het moet zijn een bezit op eigen naam (zie eigendom). De bloote houder kan nimmer door verjaring verkrijgen. Het bezit moet verder zijn te goeder trouw. Degene, die zich op de verjaring beroept, behoeft niet te bewijzen, dat hij te goeder trouw bezat; het bewijs der kwade trouw rust op de tegenpartij. De termijn van verjaring is 20 jaar, wanneer men bezit uit kracht van een wettigen titel (bijv. koop, schenking); kan men zulk een titel niet aantoonen, dan is de termijn 30 jaar. Niet alleen het eigendomsrecht kan door verjaring verkregen worden, maar ook verschillende andere rechten, bijv. zichtbare en voortdurende erfdienstbaarheden, de rechten van erfpacht en opstal enz. Bij roerende zaken komt in 't algemeon geen verjaring te pas, omdat daar het bezit geldt als volkomen titel.

Bij de verjaring, beschouwd als middel om van een verplichting bevrijd te worden (extinctieve verjaring of praescriptie) is de gewone termijn 30 jaren. Ofschoon de wet in art. 1983 de verjaring een middel noemt om van een verbintenis bevrijd te worden, is bij de verdere uitwerking in hoofdzaak sprake van verjaring van rechtsvorderingen. Het feit, dat de rechtsvordering gedurende 30 jaren niet is ingesteld, is voor de verjaring voldoende, onafhankelijk van titel of goede trouw. De artt. 2005 en volgende noemen allerlei gevallen, waarin de termijn van verjaring korter is en ook in andere deelen van onze wetgeving komen tal van korte verjaringen voor (bijv. bij wissels en bij verbintenissen uit den zeehandel). Bij de meeste van die korte verjaringen kan van den schuldenaar nog een eed gevergd worden, dat de schuld werkelijk is betaald geworden, maar niet altijd is dit noodig; zoo verjaren bijv. interessen, huren en al hetgeen bij het jaar of bij kortere ter¬

mijnenbetaalbaar is, door tijdsverloop van 5 jaren, zonder dat een eed kan worden gevorderd.

Behalve van deze verjaring van rechtsvorderingen is in ons Burgerlijk Wetboek nog sprake van verjaring van zakelijke rechten; zoo gaan bijv. erfdienstbaarheden, opstal, erfpacht, vruchtgebruik te niet door niet-uitoefening gedurende 30 jaren.

Ook in het Strafrecht komt de verjaring voor, zoowel van het recht tot strafvordering als van de straf zelf, indien deze uitgesproken maar niet ten uitvoer gelegd is, bijv. ten gevolge van de vlucht van den veroordeelde. De verjaringstermijn van het recht tot strafvordering wisselt tusschen 1 en 18 jaren naarmate van den aard van het feit en de zwaarte der bedreigde straf. De termijn van verjaring der straf is langer dan aie van het recht tot strafvordering. In strafzaken is het voor de werking der verjaring niet noodig, dat de beklaagde zich daarop uitdrukkelijk beroept.

De verjaringstermijn kan worden afgebroken doordat de verjaring wordt gestuit of geschorst. Bij stuiting neemt de verjaring een einde; bij schorsing wordt zij tijdelijk afgebroken en kan, als zij opnieuw begint te loopen, de tijd vóór de schorsing mede in rekening worden gebracht. Stuiting geschiedt in burgerlijke zaken door aanmaning, dagvaarding of andere daden van rechtsvervolging of door erkenning van de zijde van hem, te wiens voordeele de verjaring liep; in strafzaken door elke daad van vervolging van de zijde van bet Openbaar Ministerie. Schorsing geschiedt in burgerlijke zaken o. a. bij minderjarigheid van hem te wiens nadeele de verjaring zou loopen, in strafzaken bij schorsing der strafvervolging ter zake van een praejudicieel geschil.

Verjonging' noemt men de vernieuwing of voortplanting van levende wezens, welke niet door geslachtsgemeenschap tot stand komt. Hieronder vat men samen: 1° de verjonging door ontwikkeling van knoppen, loten, uitloopers, ranken enz. Zij kunnen met het moederorganisme verbonden blijven of zelfstandig wortelschieten. Het eerste komt bijv. voor bij twee- en meerderjarige planten, het laatste bij aardbeien; 2° de verjonging door zelfdeeling, welke vooral bij de lagere dieren en planten optreedt. Zoo vormen de zoetwaterpoliepen knoppen, die zich losmaken en zelfstandig verder leven, terwijl de zeesterren en andere stekelhuidigen zich vrijwillig in verschillende stukken verdeelen, welke zich daarna tot volledige individuen verder ontwikkelen; 3° de verjonging door gedaanteverwisseling (zie Regeneratie).

Verkade, Johannes Sixtus Gerhardus, een Nederlandsch schilder, geboren te Zaandam den 18den September 1868, was aanvankelijk bestemd voor den handel, doch werd later opgeleid voor schilder. Hij werkte daarvoor o. a. bij Haverman, op de Amsterdamsche academie, bij Voerman en Gauguin. In 1892 werd hij te Vannes in Frankrijk in de Katholieke kerk opgenomen, terwijl zijn familie tot den Protestantschen godsdienst behoorde. In 1894 sloot hij zich bij de Benedictijner congregatie van Beuron (Hohenzollern) aan en werd in 1902 tot priester gewijd. Hij beschilderde een aantal kerken o. a. die te Praag, Beuron en Monte Cassino.

Verkade, Eduard, geboren te Amsterdam in Juni 1878, studeerde scheikunde in Engeland, liep

Sluiten