Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pen. Trekt men de beide pyramiden uit elkander, dan ziet men de bundels van de eene naar die van de andere pyramide loopen. (kruising der pyraroidenstrengen). Tusschen het bovenvlak van het verlengde merg en het middenstuk der kleine hersens ligt een ruimte, de vierde hersenkamer, door de anatomen, vroeger de nobele kamer genoemd, omdat in haren bodem de kernen van acht hersenzenuwen zich bevinden.Door de aanwezigheid van pyramidenstrengen en van zenuwkernen veroorzaken chronische aandoeningen van het verlengde merg, b.v. ontaarding der zenuwelementen, typische ziektevormen, nl. verlammingen in het gebied der hersenzenuwen, soms gecombineerd met die der pyramidenbanen. Tot de eerste behooren de verlamming van de tong (nervus hypoglossus) met eigenaardige spraakstoornissen, slikbezwaren en verder verlammingen in het gebied van nervus accessorius, faeialis en trigeminus (zk Hersenzenuweri).Door de bewegingstoornis en de atrophie van de tong worden ook het kauwen en het slikken gestoord, terwijl het spreken nog moeilijker wordt door de aandoening van de spieren der lippen (musculus orbicularis oris)\ de geheele gezichtsuitdrukking krijgt, ook al door de verlamming van de mimische gezichtsspieren van het onderste facialisgebied, iets eigenaardigs: de mond staat half open, de onderlip hangt naar beneden, er komt iets huilerigs in het gezicht. Door de verlamming der eigenlijke slikspieren wordt het slikken steeds moeilijker, het verslikken veelvuldiger, de kans op complicaties van de zijde der longen dus grooter, vooral ook omdat de spieren van het strottenhoofd gaan meedoen en krachtig ophoesten onmogelijk wordt, want de patiënt kan dan de stemspleet niet meer sluiten. Die typische volgorde vindt men vooral bij de progressieve bulbairparalyse, die op den duur gewoonlijk door longziekten lethaal eindigt. Bij bloedingen in het verlengde merg wordt echter het beeld gecompliceerd door de aandoening der pyramidenstrengen, waardoor de ledematen verlamd worden, meestal die op één zijde, waarbij zeer vaak een verlamming van den faeialis optreedt op den anderen kant, als nl. de bloeding boven de kruising der pyramiden, maar onder de kruising der facialisvezels ligt. Zeldzamer gaat de verlamming der extremiteiten gekruisd met éénzijdige tongverlamming, abducenverlamming enz. Een uitgebreide bloeding kan echter direct doodelijk werken, waarschijnlijk door beschadiging van de centra voor ademhaling en bloedsomloop; alleen uit de lichtere kan zich na de apoplexie een typisch beeld van bulbair-aandoening ontwikkelen.

Verlet, Raoul Charles, een Fransch beeldhouwer, geboren te Angoulême in 1857, ontving in 1883 den tweeden prix de Rome en stelde in 1885 in de Salon een standbeeld voor Bouilland en een grafmonument ten toon. Daarop volgden: „Douleur d' Orphée", „Mater Salvatoris", „Danseuse", grafmonumenten voor Guy de Maupassant en Sadi Carnot, een standbeeld voor Adrien Dubouche (1899), een fontein voor Bordeaux (1900), een buste van Villebois Mareuil (1901), een standbeeld voor Sebaux, een gedenkteeken voor Villebois Mareuil, een voor Delpeux, een monument te Chêteauroux, het marmeren standbeeld Gallia, een voorstelling van de Kunst, een gedenkteeken voor Collardeau, een voorstelling van de Aarde enz. Ook vervaardigde hij een groot aantal bustes.

Tot 1905 was Verlet lid van het bestuur van de school voor schoone kunsten daarna werd hij hoogleeraar aan deze school.

Verlichting- noemt men in de techniek het toevoeren van licht aan afgesloten ruimten. Men kan daarbij gebruik maken van zon- of diffuusdaglicht, in welk geval men van natuurlijke verlichting spreekt; geschiedt de verlichting daarentegen door middel van kunstmatig opgewekte verbrandings- of gloeiingsverscliijnselen, dan heeft men met kunstmatige verlichting te doen. De natuurlijke verlichting is direct, wanneer zij rechtstreeks plaats heeft door het zon- of daglicht; indirect, wanneer zij geschiedt door terugkaatsing tegen muren enz., zooals dit in ruimten, welke op nauwe binnenplaatsen uitkomen, het geval is. Om een voldoende helderheid in afgesloten ruimten te verkrijgen, wordt bij natuurlijke verlichting in het algemeen 1 v. m. venster per 30 kub. m. ruimteinhoud noodig geacht. Ook neemt men als maatstaf de verhouding van de vensteroppervlakte tot die van den vloer (1 : 5), of van de venster- tot de wandoppervlakte (1 ; 3) aan. Intusschen zijn nog verschillende andere factoren van invloed, zooals de ligging der vensters ten opzichte van de windstreken en de richting der invallende stralen, de hoek, waaronder de lichtstralen kunnen invallen, de kleur en de geaardheid der wanden enz. Bij ruimten, waarin geen of onvoldoende direct licht valt, tracht men de verlichting te verbeteren door het aanbrengen van daglichtreflectoren van spiegelglas, witblik of linnen, die, aan de vensters bevestigd, de loodrecht vallende lichtstralen, welke anders _ voor de verlichting verloren zouden gaan, naar binnen kaatsen.

Te sterke verlichting kan het oog schaden. Intusschen komt het omgekeerde veelvuldiger voor. De vereischte helderheid houdt echter verband met den aard der bezigheden. Zij loopt uit een van 10— 30 meterkaarsen.

Kunstmatige verlichting is een niet geheel volmaakt aequivalent voor de natuurlijke. De door onze gewoonten noodzakelijk geworden veelvuldige toepassing daarvan is dan ook uit economisch en hygiënisch oogpunt te betreuren. In de meeste gevallen berust zij op verbrandingsprocessen; daarnaast maakt men gebruik van het gloeien van lichamen in een niet lichtgevende vlam (gloeilicht) en van electrische verlichting. In al deze gevallen komt slechts een klein gedeelte van het verbruikte materiaal en arbeidsvermogen tot zijn recht. Het grootste deel daarvan gaat niet alleen nutteloos verloren, maar geeft aanleiding tot schadelijke nevenverschijnselen, zooals bijv. het verontreinigen der lucht door de verbrandingsproducten, de warmtestraling, de warmteontwikkeling enz. Ook bij de kunstmatige verlichting onderscheidt men een directe en een indirecte. Bij de laatste worden de lampen op 1 m. afstand van de zoldering aangebracht. Onder de lampen bevinden zich ondoorzichtige schermen, welke het licht naar de zoldering terugkaatsen, van waaruit het de ruimte verlicht. Zij heeft vooreerst het voordeel, dat de lichtbron aan het oog onttrokken is en in de tweede plaats, dat noch door de lampekappen, noch door hoofd of hand van den mensch schaduwen ontstaan. Het aantal lichtbronnen, dat voor de verlichting van een gegeven ruimte noodig is,

Sluiten