Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een voldragen kind uit de baarmoeder gedreven op liet regelmatig einde van de zwangerschap, d. i. als deze 40 weken heeft geduurd. Treedt ae uitdrijving vóór de 12ae week op, dan spreekt men van miskraam, tusschen de 12de en de 28"le van ontijdige, daarna van vroegtijdige baring. De directe oorzaak van de samentrekking der baarmoeder op het einde der zwangerschap is onbekend. Die samentrekkingen worden ook weeën genoemd om de pijnen, die er mee gepaard gaan en het gevolg zijn van den druk op de zenuwen, die tusschen de spierbundels loopen. Door die weeën wordt het kind in het onderste segment van de baarmoeder geperst en wordt ook de inwendige, later de uitwendige mond van den baarmoederhals geopend (zie Baarmoeder), en eindelijk is het geheele halskanaal zóó uitgerekt, dat baai-moederlichaam, onderste segment, halskanaal en scheede één kanaal vormen. Daarmee is het ontsluitingstijdperk geëindigd. De vrucht wordt nu in het onderste segment en in den hals geperst en ligt dan buiten het gebied van de baarmoederspier, welker taak nu door de buikpersing der moeder wordt overgenomen. De samentrekkingen der buikspieren overwinnen den tegenstand, dien de weeke deelen van den bekkenuitgang aan hun uitrekking door ae vrucht bieden en drijven de vrucht uit. Men ziet het voorliggend deel der vrucht de schaamlippen uit elkaar dringen en den bilnaad bolvormig uitspannen bij elke wee, gevolgd door sluiting van den schaamspleet en ontspanning van den bilnaad, zoodra de wee ophoudt. Maar eindelijk blijft het vóórliggend deel in de wijd geopende schaamspleet staan en treedt daarop geheel naar buiten (het „snijdt door"), waarop weldra het overige deel der vrucht volgt. Na eenigen tijd volgt de nageboorte.

Een eerste baring duurt gemiddeld 20 uur, de volgenden gemiddeld 12 uur, maar het kan ook veel langer of veel korter duren. Niet alleen de duur, ook het geheele verloop der verlossing staat sterk onder den invloed van de ligging van het kind, waarin men lengtéligging van dwarsligginq onderscheidt. Ligt het in de lengte, dan kan óf het hoofd, óf het bekken naar beneden gekeerd zijn, terwijl men bij hoofdligging nog onderscheiden moet tusschen de normale Bchedelligging en de aangezichtsligging, die voor moeder en kind lastig is. Van de honderd kinderen worden 96 in scliedelligging geboren, drie in billigging, 1 in voetligging (beide onder de bekkenligging behoorend), terwijl de aangezichtsligging slechts eens op de 150 verlossingen voorkomt. Beschouwen wij de schedelligging, als de normale, iets nader. Ligt het hoofd op den ingang van het bekken en moet het daar doorheen geperst worden, dan zal de druk zich langs de wervelkolom vooral op het achterhoofd voortplanten, daar dit dichter bij die kolom ligt, waardoor dus het achterhoofd dieper zal dalen dan het voorhoofd. Zoo passeert het hoofd den bekkeningang en de bekkenholte, en eerst de tegenstand van de weeke deelen van den bekkenuitgang bewerkt een nieuwen stand door den spildraai van het hoofd. Het achterhoofd draait zich, om onder den schaambeensboog naar buiten te treden, zóó, dat de langste afmeting van het hoofd door de langste overlangsche afmeting van den bekkenuitgang gaat, en komt dan onder den schaambeensboog te voorschijn. Dan sluit de nek van het kind tegen de schaambeensvereeniging en werkt de uitdrijvende kracht alléén op de naar achter liggende kin en het

voorhoofd,zoodat achtereenvolgens voorhoofd, neus, mond en kin langs den bilnaad te voorschijn treden. Bij de overige lengteliggingen loopt het mechanisme van de baring anders, maar bij alle kan de geboorte een.normaal verloop hebben; niet echter bij de dwarsligging. Dan kan een normaal ontwikkeld kind nooit den bekkeningang passeeren, en als er geen hulp verleend wordt vóór het in dien ingang vastgeklemd is, sterft het kind en loopt ook het leven der moeder gevaar, doordat de baarmoeder in haar vruchtelooze samentrekkingen scheurt. Dwarsliggingen worden dan ook altijd door den verloskundige door de keering van den vrucht in voetliggingen veranderd. Behalve de ligging van het kind is ook de toestand van het bekken van de grootste beteekenis; want vernauwingen of verkrommingen van zijn ingang of van zijn holte kunnen een normaal verloop zonder kunsthulp onmogelijk maken en kind of moeder of beiden in gevaar brengen; het kind kan sterven door te langen duur van de verlossing of door te sterke verschuiving der schedelbeenderen met verscheuring van de bloedvaten, die in de naden loopen. Dergelijke vernauwingen zijn vaak het gevolg van rhachitis, die de beenderen te week maakte om den last van de wervelkolom te dragen en bet bekken min of meer in elkaar deed zinken. Soms spelen nog andere factoren een rol: zoo de navelstreng, die om een der deelen van het kind kan gestrengeld zijn, of de nageboorte, die wel eens op een abnormale plaats aan de baarmoeder bevestigd is, nl. dicht bij den inwendigen mond van het halskanaal (placenta praevia, die zich verraadt door 't optreden van bloedingen reeds bij de eerste weeën;) maar de vorm van het bekken en de ligging van het kind zijn toch de voornaamste, en beiden zijn door in- en uitwendig onderzoek te bepalen. De stand van het hoofd wordt vooral nagegaan door met den wijsvinger de richting van de pijlnaad en den stand van de groote en kleine fontanel te onderzoeken. Bij dat toucheeren is strenge asepsis noodig om te voorkomen, dat de geboorteweg geïnfecteerd wordt en er „kraamvrouwenkoorts" volgt, die vroeger juist kraamvrouwen in de hospitalen zoo vaak aantastte.

Verloving1 (sponsalia) noemt men de overeenkomst van twee personen van verschillende sekse, waarbij zij elkander toezeggen een huwelijk te zullen sluiten. In het Middeleeuwsche canonieke recht onderscheidde men een verloving met het oog op de toekomst (sponsalia de futuro), overeenkomende met onze verloving, en de toezegging voor het oogenblik zelf (sponsalia de praesenti), de eigenlijke huwelijkstoezegging. Door de invoering van het kerkelijk huwelijk verloor deze onderscheiding haar praktische beteekenis, evenals die tusschen openbare (sponsalia publica) en geheime verloving (sponsalia clandestina), welke in het Protestantsche kerkrecht bestaan heeft. Terwijl het Romeinsche recht op het niet nakomen van een verlovingsbelofte geen straf stelde, heeft wel is waar het canonieke recht geen huwelijksdwang ingevoerd, maar toch het recht op schadeloosstelling erkend. De moderne wetgeving staat meestal in het midden en laat in bijzondere gevallen een eiscli tot schadevergoeding toe, namelijk ten opzichte van de maatregelen, welke met het oog op het huwelijk genomen zijn. In Engeland daarentegen kent men ook den eisch van scliade-

XV

35

Sluiten