Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verneuil, Philippe Edouard Poulletier de, een Fransch aardkundige, geboren te Parijs den 13den Februari 1806, was eerst advocaat, vervolgens ambtenaar aan het ministerie van Justitie, werd in 1854 lid der Académie, en overleed te Parijs den 29sten Mei 1873. Behalve onderscheiden opstellen in het „Bulletin de la Société géologique de France" schreef hij: „Mémoire géologique sur la Crimée" (met d' Archiac, 1837), „Mémoire sur les fossiles des bords du Rhin" (1842) en „Geology of Russia" (met Murchison en Keyserling, 1845).

Vernier, Pierre, een Fransch wiskundige, geboren in 1580 te Ornans in Bourgondië, was directeur-generaal der munt in genoemd graafschap, commandant van het slot Ornas en raadsheer van den koning van Spanje. Hij schreef: „La construction, 1'usage et les propriétés du quadrant nouveau de mathématiques" (Brussel, 1631), waarin de beschrijving van het als „vernier" of „nonius" bekende meettoestel voorkomt. Hij overleed den 14den September 1637 te Ornans.

Vernikkelen heeft ten doel om sommige metalen, zooals ijzer, koper, messing en brons, met een laagje nikkel te bedekken. Het geschiedt algemeen langs galvanischen weg. Men hangt de voorwerpen aan de kathode in een bad van zwavelzuurnikkeloxyduulammoniak; de anode wordt gevormd door een nikkelen plaat, waarvan evenveel nikkel wordt opgelost, als er uit het bad op de voorwerpen wordt neergeslagen. Ijzer wordt gewoonlijk vooraf verkoperd. Het vernikkelen werd in 1842 door Böttger uitgevonden. Op groote schaal werd het echter het eerst in Amerika toegepast.

Vernis is de gemeenschappelijke naam van vloeistoffen, welke in dunne lagen aan de lucht snel drogen en een glanzende, meestal doorzichtige, harde huid op de geverniste voorwerpen vormen. Men onderscheidt een drietal verschillende soorten vernis: vette vernissen, vette lakken (lakolievernissen), en terpentijnolie- en alkoholvernissen, verkregen door harsen in terpentijnolie of alkohol op te lossen. Ook aether, kamferolie, houtgeest en aceton worden als oplosmiddel gebruikt. De vette vernissen zijn verreweg het meest duurzaam, maar drogen het langzaamst. Zij bestaan uit drogende oliën (lijn- en papaverolie), waarvan men het vermogen om aan de lucht, onder zuurstofopname, te drogen, verhoogd heeft door behandeling met bruinsteen, loodsuiker enz. Lakolievernissen zijn oplossingen van harsen (kopal, barnsteen, dammarahars, asfalt) in lijnolie. Kapallak wordt gebruikt voor het vernissen van fijnere voorwerpen en schilderijen, harslak voor grover werk, bijv. voor het behandelen van metselwerk, dat geverfd moet worden. Lijnolieharslak, bestaande uit gelijke deelen witte hars en lijnolie, wordt gebruikt voor het \erlakken van hout.

Tot de klasse der terpentijnolievernissen behooren de dammaravernis, welke bereid wordt door dammarahars in kokende terpentijnolie op te lossen. Goudvernis is een terpentijnolievernis, bereid uit mastix, sandarach en colofonium en gekleurd met aloë, curcuma, pikrinezuur, sandelhout enz. Men gebruikt het om metalen, voornamelijk koper, te vernissen. Isochroomvernis, verkregen door mastix en Venetiaansche terpentijn in terpentijnolie op te lossen, wordt gebruikt voor het vernissen van schilderijen en gekleurde koper¬

gravures. Een waterhelder vernis levert het caoutchoucvernis. Het droogt zeer snel, glanst niet en is in het bijzonder geschikt voor het vernissen van teekeningen, landkaarten enz.

Alkoholvernissen worden voornamelijk voor hout-, papier- en boekbinders-, benevens voor verguld- en metaalwerk gebruikt. Men bereidt ze door de poedervormig gemaakte harsen, vermengd met glaspoeder, in alkohol van 90% op te lossen. Het glaspoeder dient om het vormen van compacte massa's tegen te gaan. Alkoholvernissen zijn het minst duurzaam. Zij drogen zeer snel en hebben een hoogen glans. Daarentegen vertoonen zij spoedig barsten en laten, in den vorm van een wit poeder, los, tenzij men hen door bijvoeging van mastix, elemi of terpentijn voldoende taai maakt.

Vernis Mou (Engelsch: Soft ground) is de naam van een in de 19de eeuw uitgevonden en vooral door Rops toegepast reproductieprocédé, waarbij de koperen etsplaat met een zacht vernis en daarna met ruw papier bedekt wordt. Dit neemt, wanneer het verwijderd wordt, op de plaatsen, waar men er op geteekend heeft, het vernis mede. Daarna wordt de plaat evenals een gewone etsplaat behandeld.

Vernissage is in de taal van de Parijsche kunstenaars de aanduiding voor den dag, voorafgaande aan de opening van een tentoonstelling („vernisdag"). Op dien dag wordt zij vooral door genoodigden bezocht („laatste olielng"). Ook noemt men aldus de openingsrede. Schertsend gebruikt men het woord ook voor de generale repetitie van een tooneelstuk.

Véron, Louis Désiré, een Fransch dagbladschrijver, ibekend onderden naam van DocteurVéron, geboren te Parijs den 5den April 1798,(studeerde in de geneeskunde en begon, toen hij de geneeskunde met de journalistiek verwisselde, zijn „Cahiers d' observation médicale" te publiceeren. In 1829 stichtte hij de „Revue de Paris", maar liet in 1831 dit tijdschrift varen om de directie der groote opera op zich te nemen. In die betrekking verwierf hij zich een aanzienlijk vermogen, maar legde haar in 1835 neder, om zich met de redactie van den „Constitutionnel" te belasten, welk dagblad in 1844 zijn eigendom werd, van welk oogenblik af het behoorde tot de dynastieke oppositie. Hij schreef o. a.: „Mémoires d'un bourgeois de Paris" (1854—1856, 6 dln.,) „Nouveaux Mémoires d'un bourgeois de Paris" (1866), waarmede hij echter zijn lezers te leur stelde. Hij overleed den 278ten September 1867 te Parijs.

Véron, Eugène, een Fransch schrijver, geboren te Parijs den 29eten Mei 1825, bezocht de école normale aldaar en wijdde zich vervolgens aan het onderwijs. Tevens was hij gedurende vele jaren medewerker aan dagbladen, werd in 1868 hoofdredacteur van den „Progrès de Lyon" en stichtte in 1871 te Lyon het blad: „La France républicaine," hetwelk echter spoedig door den prefect Ducros verboden werd. Sedert 1875 redigeerde hij het weekblad: „L'art". Voorts schreef hij: „Du progrès intellectuel dans 1'humanité" (1862), „Les institutions ouvrières de Mulhouse" (1866), „Histoire de la Prusse depuis Frédéric II jusqu' a Sadowa" (1867; 4de druk, 1886), „Histoire de 1'Allemagne depuis Sadowa" (1874 ; 3de druk 1893), „La troisième invasion" (1876 —1877), „L'esthétique

Sluiten