Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

raal-majoor. In het laatstgenoemde jaar keerde hij naar Indië terug, om in 1872 naar Batavia overgeplaatst te worden als commandant der 2de militaire afdeeling op Java en het volgend jaar weder bij het departement van Oorlog op te treden als chef der tweede afdeeling. Het zelfde jaar nog trad Verspyck op als chef van het bureau voor de krijgsverrichtingen op Sumatra en werd den 3den October van dat jaar aangewezen om met Van Smeten als 2ds bevelhebber de 2de expeditie tegen Atjeh te ondernemen. In 1874 werd hij met den titulairen rang van luitenant-generaal op zijn verzoek gepensionneerd, nadat hij het commandeurskruis van de Militaire Willemsorde had ontvangen. Behalve deze bezit hij een aantal andere ridderorden, waaronder het grootkruis van de huisorde van Oranje. Verder was hij gedurende eenigen tijd kanselier van de Nederlandsche ridderorden, voorzitter van de vereeniging „Moed, Beleid en Trouw," tot wier oprichters hij behoorde en lid van het hoofdcomité van het Nederlandsche Roode Kruis. In 1878 werd hij door koning Willem 111 benoemd tot adjudant-generaal met den rang van grootofficier, welke betrekking hij tot aan zijn dood bij de koningin bleef vervullen. Reeds voor dien tijd was hij met het praedicaat jonkheer in den adelstand verheven. Hij overleed den 7den Mei 1909 te 's Gravenhage.

Verstalen is het veranderen van de oppervlakte van week ijzer in staal. Het geschiedt door het gloeiende ijzer te bestrooien en in te wrijven met bloedloogzout of cyaankalium, of door het te behandelen met koolstofhoudende gassen, zooals lichtgas en petroleumdamp. Dit laatste geschiedt vooral bij pantserplaten van nikkelstaai.

Verstand (Intellectus) is in algemeenen zin het vermogen om gegeven feiten en hun onderlinge betrekkingen logisch op te vatten. Een goed verstand heeft scherpte, d. i. het vermogen om de bestanddeelen van een ingewikkeld verband te onderscheiden, en nuchterheid, d. i. de onafhankelijkheid van de subjectieve invloeden van het gevoel. In het dagelijksch leven noemt men dan ook hem verstandig, die zich in zijn oordeel door rustig overleg laat leiden en het weet vrij te houden van den invloed van zijn gevoel, verwachtingen of wenschen. Intusschen bepalen de voordeelen van het verstand tevens de grenzen van zijn vermogen. Het is niet scheppend, maar uitsluitend critisch werkzaam. Het geeft ons geestelijk leven geen nieuwen inhoud, maar brengt daarin orde en overzicht, trekt uit de gegeven veronderstellingen de gevolgtrekkingen en doet de middelen om het doel te bereiken aan de hand. De wijsbegeerte omschrijft (volgens Kant) het verstand derhalve als het vermogen der begrippen en stelt het eenerzijds tegenover de aanschouwing, anderzijds tegenover de rede. De eerste is het, die ons, als zinnelijke waarneming, de voorstelling der dingen geeft; het verstand ontleedt en rangschikt het aanschouwingsbeeld en brengt afzonderlijke bestanddeelen en betrekkingen daarvan door abstractie naar voren, doordat het ze in den vorm van het begrip brengt. De nauwkeuriger ontleding van het kenvermogen is er echter verder toe gekomen om tegenover deze empirische en bewuste verstandsfunctie een zuivere, vóórbewuste te stellen. Volgens deze opvatting is slechts de inhoud der aanschouwing gegeven, maar vindt haar vorm zijn grondslag in het ver¬

stand (Schopenliauer); in de categorieën of zuivere verstandsbegrippen wordt ons dan deze vorm bewust (Kant).

Versteening-en (Fossielen, Pelrefacten zijn in het algemeen de overblijfselen of afdrukken van organismen, welke bij de vorming van de in voorhistorische tijden onstane gesteenten in deze werden opgesloten. In engeren zin verstaat men er alleen die overblijfselen onder, waarbij met behoud van den vorm, de oorspronkelijke stoffen geheel of gedeeltelijk door minerale bestanddeelen zijn vervangen (versteend). Deze overblijfselen kunnen op verschillende wijzen behouden zijn gebleven. Vooreerst door insluiting (incrustatie), waarbij een conserveerend materiaal zich op de organismen heeft afgezet. Hiertoe behooren bijv. de mammouthlijken, ingesloten in het diluviale ijs van Siberië en verschillende in venen en bruinkolen ingesloten plantenresten. Somtijds kan door verrotting het oorspronkelijk ingesloten organisme verdwenen zijn en is alleen de afdruk overgebleven. Dit is bijv. met planten in de meest uiteenloopende gesteenten van alle vormingen gebeurd. In de tweede plaats komt het voor, dat het gesteente ook de inwendige ruimten der organismen vult, zoodat na vernietiging van den organischen vorm een zoogenaamde steenkern achterblijft, somtijds verbonden met het uitwendig afgietsel, waardoor tusschen beide een holle ruimte, overeenkomend met de dikte van het oorspronkelijk voorhanden lichaam, ontstaan is. Deze vorm van versteening komt vooral bij de schalen der conchyliëu voor. Een derde wijze is de verrotting (calcinatie). Zij verwijdert de weeke deelen benevens de organische bestanddeelen van het vaste uit- of inwendige skelet. Hoe minder organische stof oorspronkelijk voorhanden is en hoe grooter het weerstandsvermogen van het door het organisme zelf voortgebrachte minerale materiaal is, des te beter worden de vormen bewaard, zooals bijv. de pantsers der diatomeeën, welke gedurende haar leven opaal afscheiden. De verkoling, welke in hoofdzaak bij plantaardige organismen optreedt, berust op een desoxydatieproces, dat gewoonlijk onder water en bij onvoldoenden luchttoevoer verloopt. Bij de eigenlijke versteening vullen vreemde minerale stoffen, welke haar aanzijn niet danken aan het levensproces der organismen, de ruimten op, die door verrotting van de organische bestanddeelen zijn ontstaan, of zij vervangen, evenals bij het proces der pseudomorfose, de organische stof, zoodat somtijds de fijnste mikroskopische structuur behouden blijft (verkiezelde coniferen enz.). Zulke versteeningen zijn echte pseudomorfosen, welke dus nog duidelijk den vorm van planten en dieren (phyto- en zoömorfosen) vertoonen. Het voornaamste versteeningsmateriaal is kalkspaat en kiezelaarde. Minder dikwijls treden gips, zwaarspaat, zwavel, talk enz. als zoodanig op. Van de ertsen noemen wij vooral ijzer- en straalkies; spaatijzersteen, koperglans enz. doen minder als versteeningsmateriaal dienst. De voetafdrukken (sporensteerwn) ten slotte, waaronder die van den chirotherium het meest bekend zijn, vormen de minst volmaakte sporen van organismen. Zij zijn dan ook het minst geschikt voor de systematische bepaling van organismen, welke vroeger bestaan hebben.

Deze versteeningen zijn van het grootste belang om den relatieven ouderdom der gesteenten, waar-

Sluiten