Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steld, terwijl voor nog niet toegetreden landen gelegenheid werd gegeven om zich onder de oude voorwaarden (10 jaar) aan te sluiten. Verder genieten geoorloofde vertalingen dezelfde bescherming als oorspronkelijke werken. In andere landen, zooals bijv. in ons land, is het vertalen en het uitgeven van vertalingen geheel vrij. Nederland zal echter vermoedelijk toetreden in het voorjaar van 1912, n! 6 maanden na de indiening van het ontwerp eener nieuwe auteurswet, die ook het recht van beeldende kunstenaars regelen zal, welk ontwerp eerstdaags de Kamer bereiken zal.

Vertebraalstelsel is de naam van het ruggemerg en de daaruit ontspringende zenuwen.

Vertegenwoordiging-, Evenredige. Zie Kiesrecht.

Vertering1 of verbruik is een deel der staathuishoudkunde, dat zich bezig houdt met de wijze, waarop de waren of goederen door verbruik te niet gaan en met de waarde van dit individueele verbruik voor de maatschappij. De belangrijkste vraagstukken, die in dit verband worden behandeld, zijn het bevolkingsvraagstuk, de weelde, de verbruiksvereenigingen, de waarde van besparingen, de invloed van het absenteïsme (Zie onder al die woorden).

Verteringsbelasting.. Zie Belasting.

Verticaal noemt men een lijn, die toppunt en voetpunt met elkander verbindt, dus loodrecht op het vlak van den horizon slaat en de richting der zwaartekracht aanduidt.

In de fceetkunde beteekent het als bijvoegelijk naamwoord zooveel als loodrecht; als zelfstandignaamwoord wordt het dikwijls gebruikt voor loodlijn (zie aldaar). In de sterrenkunde gebruikt men het als afkorting voorjt'erticaalcirkel, d. i. elke groote cirkel, welke door toppunt en voetpunt gaat en dus loodrecht op het vlak van den horizon staat.

Verticaalcirkel. Zie Verticaal.

Vertin, Petrus Gerardus, een Hollandsch schilder van stadsgezichten, werd geboren te 's Gravenhage den 21sten Maart 1820 en overleed aldaar den 14den September 1893. Hij was een leerling van B. J. van Êove. Schilderijen van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. in het Rijksmuseum te Amsterdam en in het Museum Boymans te Rotterdam.

Vertinnen is het bekleeden van metalen voorwerpen met tin. Koperen, geelkoperen en smeedijzeren vaten, die men aan de binnenzijde wil vertinnen, worden met verdund zwavelzuur gebeten, vervolgens afgespoeld, gedroogd en verhit, waarna men het gesmolten tin, onder toevoeging van colofonium, salmiak of chloorzink met behulp van een prop werk er op wrijft. Kleinere voorwerpen worden na het bijtsen en drogen in het met talk bedekte, gesmolten tin gedompeld en daarna in water gebracht. Het vertinnen vindt op groote schaal toepassing bij het vervaardigen van zoogenaamd witblik, d. i vertind plaatijzer. Bijtst men dit met zoutzuur, dan vormen er zich figuren als ijsbloemen op (Moiré métallique).

Natte vertinning geeft een dunne tinlaag en wordt voor spelden, ringen, kleine ketens, horlogesleutels enz. aangewend. Men bijtst de voorwerpen met wijnsteen of verdund zwavelzuur en verhit ze in een geelkoperen of vertindkoperen ketel met water, wijnsteen en tin in korrels, totdat zij blank zijn, waarna men ze afspoelt en in zaagmeel droogt.

Bij het galvanische vertinnen maakt men gebruik

van een oplossing van tinoxyd in kaliloog met cyaankalium en pyrophosforzure natron.

Het vertinnen van koperen vaatwerk met gesmolten tin was reeds in de Oudheid bekend. Van het vertinnen van ijzer maakt Agricola het eerst melding. IJzerblik werd, naar het schijnt, voor het eerst in Bohemen vertind. Vandaar kwam het procédé in 1620 naar Saksen en in 1760 naar Engeland. Gietijzeren voorwerpen vertinde men voor het eerst in Engeland in het begin der 19de eeuw; in 1831 was het in Silezië bekend. De natte vertinning is een zeer oud procédé; het galvanisch vertinnen werd in 1850 voor het eerst met succes door Roseleur en Boucher te Parijs toegepast.

Vertot, Bené Aubert, abbé de, een Fransch geschiedschrijver, geboren den 25sten November 1655 op het kasteel Bennelot (Beneden-Seine), trad in de orde der Capucijnen, vervolgens in die der Praemonstratensen, werd secretaris van den abbé Colbert, den generaal van de orde, en was daarna op verschillende plaatsen als pastoor werkzaam. Hij maakte zich bekend door zijn; „Histoire des révolutions de Portugal" (1689) en door zijn boeiende: „Histoire des révolutions de Suède" (2 dln., 1695), welke in korten tijd 4 herdrukken beleefde en in de voornaamste Europeesche talen werd vertaald. In 1701 werd hij lid van de Académie des inscriptions, waarna hij zich in 1703 te Parijs vestigde. Hier schreef hij: „Traité de la mouvance de Bretagne" (1710) en „Histoire des révolutions de la république romaine" (1719), het meest beroemde van zijn werken. Verder gaf hij een .,Histoire critique de 1'établissement des Bretons dans les Gaules" (1720) en „Histoire de 1' ordre de Malte" (1729). Hij overleed den 15den Juni 1735 te Parijs. Na zijn dood verscheen „Histoire des ambassades de Franqois et d' Antoine de Noailles en Angleterre (1763).

Vertumnns (oude vorm Vortumnus = de veranderlijke) is een uit het Etruskische Volsii naar Rome gebrachte godheid, waarvan de beteekenis onzeker is. Men hield hem voor den god van het met zijn gaven afwisselende jaar; ook gold hij voor een beschermer van den handel. Volgens sommige sagen bezat hij het vermogen om verschillende gedaanten aan te nemen, waardoor hij zich de liefde van Pomona verwierf.

Verus, Lucius, een zoon van den door keizer Hadrianus aangenomen Lucius Verus, werd op last van Hadrianus door Antonius Pius als zoon aangenomen en door Marcus Aurelius in 161 n. Chr. als mede-Augustus aangenomen. Uitgezonden om den oorlog tegen de Parthen (162—166) te leiden, liet hij echter dit werk over aan anderen, om zich te Antiochië aan losbandigheid over te geven, welk leven hij later te Rome voortzette. Hij overleed in 169 te Altinum in Venetia.

Verval noemt men het verschil in hoogte van den waterspiegel eener rivier op twee plaatsen. Zie Rivier.

Vervalsching noemt men het (in strijd met de wet) namaken van een voorwerp, met de bedoeling om het nagemaakte voor het oorspronkelijke te doen doorgaan. Vervalsching van antiquiteiten, kunstvoorwerpen, handschriften enz. kwam reeds in de Oudheid voor. Tot een tak van bedrijf werd zij echter eerst, toen men begon verzamelingen van kunstvoorwerpen aaji te leggen, d. i. sedert het einde van de 15de eeuw. In het eerst werden vooral mun-

Sluiten