Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wortels in staat zijn met behulp van hunne organische zuren, minerale bestanddeelen als voedsel op te nemen, terwijl zij na hun afsterven humuszure alkaliën doen ontstaan, welke het gesteente sterk kunnen aantasten. Ook de dieren spelen een rol, want door afscheiding en verrotting brengen zij ammoniak en salpeterzure zouten in het water, terwijl mikroskopische organismen kool- en stikstof uit de lucht nemen en na hun dood in het gesteente achterlaten, dat daardoor tot op groote diepte verweeren kan, zooals bijv. de Faulhorn in Zwitserland leert.

De verweering neemt in den regel een aanvang aan de oppervlakte en dringt allengs in de dieper gelegen lagen door. Daardoor valt het mineraal of het gesteente ten slotte uiteen in gruis, zand of leem, die door den regen worden weggespoeld. De verweering bestaat in het begin enkel in een ontkleuring. Donkere, door organische bestanddeelen gekleurde stoffen worden wit of licht grijs; groene, die ijzeroxydule bevatten, rood of bruin. Glazige gesteenten worden mat en ondoorzichtig. In vele gevallen ontstaan daarbij oplosbare zouten, als efflorescentie optreden, of er worden metaaloxyden in den vorm van aanslag of van dendrieten afgescheiden. Graniet, syeniet, gneis worden los en vallen uiteen. Veel belangrijker evenwel dan deze eenvoudige verweering zijn de dieper ingrijpende veranderingen, welke vele gesteenten ondergaan, doordat hun bestanddeelen in den loop des tijds worden ontleed. Terwijl sommige gesteenten langzamerhand geheel worden opgelost, worden uit andere daarentegen, zooals veldspaat en augiet, slechts bepaalde bestanddeelen opgelost en tegen bestanddeelen van de oplossing, welke de verweering veroorzaakt, verwisseld. Zoo ontstaan bijv. uit orthoklaas kaolien en muscoviet enz. Men spreekt dan van samengestelde verweering. Green enkel gesteente is volkomen bestand tegen verweering. Zij is echter afhankelijk van de samenstelling en de wijze van voorkomen van het gesteente, terwijl ook klimatologische verschillen van invloed zijn.

Verweeringsgrond. Zie Verweering.

Verweerschrift. Zie Apologie.

Verwenschen. Zie Vervloeken.

Verwey, Bernardus, een Nederlandsch godgeleerde, geboren in 1772, studeerde te Franeker in de theologie en was achtereenvolgens predikant te Marsum, Bolsward, Zutfenen's Gravenhage. Behalve onderscheiden leerredenen schreef hij o. a. „Christelijke droefheid en troost. Herinneringen bij den dood van geliefde panden" (1821), „Uren voor de eeuwigheid geleefd. Tafereelen uit het hoogere leven van een Christen" (1824) en „De avond des levens, herinneringen bij het uitzicht in de eeuwigheid" (1845). Hij overleed den 278ten Juni 1835.

Verwey, Albert, een Nederlandsch dichter, werd den 15den Mei 1865 te Amsterdam geboren, waar hij zijn voorbereidende opleiding genoot. Zijn eerste gedichten verschenen in „De Nederlandsche Spectator" van 1882. Hij werd in 1885 mede-oprichter en redacteur van „De Nieuwe Gids" en had een belangrijk aandeel in de vervaardiging van het gedicht „Julia" en de daarop volgende brochure „De onbevoegdheid der Nederlandsche literaire kritiek." Na het uiteen gaan der NieuweGids-redactie richtte hij met Lodewijk van Deyssel in 1894 het„Tweemaandelijksch Tijdschrift" op, la ter

herdoopt in „De XX8te Eeuw." In 1905 nam hij, daartoe genoopt door een meeningsverschil, zijn ontslag en stichtte het nog heden door hem geredigeerde maandschrift „De Beweging." Voor genoemde tijdschriften leverde hij een groot aantal bijdragen, zoowel in verzen, als in proza. Hij woont sedert 1890 te Noordwijk a. zee. In afzonderlijke uitgaven verschenen van hem: „Persephone en andere gedichten", (1885) „Van het leven" (1888), „Verzamelde gedichten (1889), „Aarde" (1896), „Johan van Oldenbarneveldt" (1895), „Toen de gids werd opgericht" (1897), „De nieuwe Tuin" (1898), „Het brandende Braambosch"(1899), „Dagen endaden"(1901), „Stille Toernooien" (1901), „Jacoba van Beieren" (1902), „De kristaltwijg" (1903), „Leven van Potgieter" (1903), „Luide Toernooien"(1903), „Uit de lage landen bij de zee" (1904), „Inleiding tot de nieuwe Nederlandsche dichtkunst" (1905). Een volledige verzameling van zijn gedichten in drie deelen, waarbij een nieuwe bundel „Het Levensfeest" en een nieuw drama „Cola Rienzi",verscheenin 1911—1912.

Verwey Mejan, Gerardus Wouter, een Nederlandsch volksvertegenwoordiger, geboren te 's Gravenhage den 268tcI1 Januari 1796, studeerde te Leiden en organiseerde bij den terugkeer van Napoleon van Elba op eigen kosten een compagnie vrijwillige jagers te paard. In Maart 1816 vestigde hij zich als advocaat te 's Gravenhage, en in 1835 werd hij lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, waarvan hij tot zijn dood deel uitmaakte. Hij overleed op zijn buiten verblijf Rijnstroom den 6den Augustus 1850.

Verwonding: Zie Wond.

Verwom, Max, een Duitsch physioloog, geboren den 4den November 1863 te Berlijn, studeerde aldaar en te Jena in de geneeskunde en de natuurwetenschappen, werd in 1895 buitengewoon hoogleeraar te Jena, vertrok in 1901 als gewoon hoogleeraar in de physiologie naar Göttingen en in 1910 naar Bonn. Hij hield zich voornamelijk bezig met het proefondervindelijk onderzoek van de algemeene levensverschijnselen der cel, waarbij hij in hoofdzaak van ééncellige organismen gebruik maakte. Zeer vruchtbaar voor dit doel waren een tweetal reizen naar verschillende plaatsen van de Middellandsche en de Roode Z( e in 1890—1891 en 1894—1895. Later trachtte hij de resultaten, verkregen bij het onderzoek der afzonderlijke cellen, toe te passen op de physiologische processen in de zenuwcellen, om aldus tot een dieper inzicht in de levensverschijnselen van het centrale zenuwstelsel te geraken. Van zijn werken noemen wij: „Psycho physiologische Protistenstudien" (Jena, 1889), „Die physiologische Bedeutung des Zellkerns" (in „Pflügers Archiv", 1891), „Die Bewegung der lebendigen Substanz" (Jena, 1892), „Allgemeine Physiologie" (4de druk, Jena, 1903), zijn hoofdwerk, waarin hij zijn denkbeelden op het gebied der physiologie heeft samengevat, „Beitrage zur Physiologie des Zentralnervensystems" (Jena, 1898), „Das Neurom in Anatomie und Physiologie" (Jena, 1900), „Die Biogenhypothese" (Jena, 1903) en „Mechanik des Geisteslebens" (Leipzig, 1907). Sedert 1902 geeft hij ook de „Zeitschrift für allgemeine Physiologie" uit.

Verwijs, Eelco, een Nederlandsch letterkundige, geboren te Deventer den 17den Juli 1830, studeerde aldaar, alsmede te Groningen en te Leiden en promoveerde in laatstgenoemde stad in de lette-

Sluiten