Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ren op een dissertatie: „Jacob van Maerlant's ^ apene Martijn" (1857). Daarna werd hij leeraar aan het gymnasium te Franeker, in 1862 archivaris-bibliothecaris der provincie Friesland te Leeuwarden en in 1868 mederedacteur van het „Nederlandsch Woordenboek", waarna hij zich vooral op de studie der Middel-Nederla,ndsclie letterkunde toelegde. \ an zijn hand verschenen: „Bloemlezing uit Middel-Nederlandsche dichters" (4 dln., 1850—1867), „Dit zijn X goede Boerden" (met M. de Vries, 1860), „Jacob van Maerlants Spiegel Historiael" (3 dln., 1858 —1863), „Sinterklaas, eene bijdrage tot de kennis der Germaansche mythologie" (1863), „Dit is 't spel van den heiligen Sacramente van der Nijeuwervaert" <1867). „Die Rose van Henric van Aken", (met de fragmenten der tweede vertaling, 1868), „De oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen in de laatste jaren der XIVdc eeuw. Naar onuitgegeven bescheiden" (1868), „Gedichten van ^ illem van Hillegaersberch" (met W. Bisschop, 1870). Verder bewerkte hij verschillende deeltjes van de „Nederlandsche klassieken" en de „Bibliotheek van Middel-Nederlandsche letterkunde." Ook was hij medewerker aan de uitgave van „Jacob van Maerlant's Spiegel Historiaal, tweede partie" (1872) van Hellwald, en met Cosijn redacteur van den „Taaien letterbode". Hij overleed den 288ten Maart 1880 te Arnhem.

Verzadigen. Zie Oplossing en Vochtigheid.

Verzamellens. Zie Lens.

Verzamelnaam. Zie Substantivum.

Verzeeping noemde men oorspronkelijk de ontleding van vetten en wel van de glycerineësters van vette zuren en oliezuren voor basische hydraten waarbij zeepen, d. w. z. de zouten van de zuren, naast vrije glycerine, ontstaan. De naam is later op alle soortgelijke processen van ontleding van esters flnor sterke basen, inzonderheid door alkaliën, over¬

gegaan, onverschillig van welke soort de zuren of de alkohol van de te ontleden of te verzeepen ester zijn.

Verzegeling is een gerechtelijke handeling, waarbij voorwerpen door de justitie, door het aanhechten of afdrukken van een zegel, gesloten of aan de beschikking van derden onttrokken worden. Zij komt te pas bij inbeslagneming ten gevolge van huiszoeking, alsmede bij tot een nalatenschap behoorende goederen. De schending der gerechtelijke zegels is met straffen bedreigd. De verzegeling van tot een nalatenschap behoorende goederen wordt in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vrij uitvoerig geregeld (Boek III, Titel II, Afd. 1). Zij geschiedt door den kantonrechter in tegenwoordigheid van den griffier. De verzegeling kan o. a. worden gevorderd door den overgebleven echtgenoot, erfgenamen, legatarissen, schuldeischers, dienstboden, executeurs-testamentair. Ook ambtshalve kan de kantonrechter tot de verzegeling overgaan, nl. in geval de minderjarige of onder curateele gestelde in een nalatenschap belang- of medebelanghebbende, geen voogd of curator heeft of indien de voogd of curator of de echtgenoot van den overledene of een der erfgenamen niet tegenwoordig is of indien de overledene openbare bewaarder is van eenige zaken. De zegels kunnen alleen worden opgeheven door ontzegeling, welke mede door den kantonrechter in tegenwoordigheid of na oproeping van belanghebbenden plaats vindt en waarbij in den

regel tevens tot inventarisatie wordt overgegaan.

Verzekering of Assurantie wordt door art. 246 van ons Wetboek van Koophandel omschreven als een overeenkomst, waarbij de verzekeraar zich aan den verzekerde, tegen genot van premie, verbindt om hem schadeloos te stellen wegens een verlies, schade of gemis van verwacht voordeel, die deze door een onzeker voorval zou kunnen lijden. Men onderscheidt in 't algemeen twee vormen van verzekering: de premieverzekering en de onderlinge verzekering. Bij premieverzekering, waaraan de wetgever bij zijn definitie gedacht heeft, staan verzekeraar en verzekerde als partijen tegenover elkaar en betaalt de laatste aan den eerste een bepaalde premie, waarvoor deze het risico overneemt; de verzekeraar kan hier zijn óf een enkel individu óf een vennootschap", meestal zal het een naamlooze vennootschap zijn, want elke verzekering moet in het groot werken, daar zij steunt op het beginsel, dat door bijdragen van een groote groep personen de schade, waaraan allen blootstaan, maar die slechts sommigen onder hen treft, gemakkelijk te dragen valt.

Zuiverder dan bij de premieverzekering vindt dit beginsel toepassing bij de onderlinge verzekering, waarbij het lichaam dat als verzekeraar optreedt, wordt gevormd door de gezamenlijke verzekerden, die dus eigenlijk eikaars verzekeraars zijn. De eenvoudigste vorm van onderlinge verzekering is, dat elk jaar de door de deelnemers geleden schade benevens de administratiekosten over allen worden

omgeslagen en dus de vaste premie geheel ontbreekt. Het bezwaar hiertegen is evenwel, dat men het eene jaar een geheel ander bedrag betaalt dan het andere en dat men in jaren, waarin veel schade voorkomt, groote sommen zal moeten opbrengen. Teneinde dit te voorkomen, hebben ook onderlinge verzekeringsmaatschappijen dikwijls vaste jaarlijksche premiën; is de schade geringer dan het door de gezamenlijke deelnemers betaalde, dan komt hun dit in den vorm van een winstaandeel ten goede (nadat zekere bedragen voor de slechte jaren gereserveerd zijn); is de schade grooter, dan moeten zij bijbetalen. Ook door het sluiten van herverzekeringen kunnen de onderlinge maatschappijen aan haar premiën zekere vastheid geven. Ofschoon onze wetgever van 1838 nog geen denkbeeld had van de ontwikkeling, die de verzekering in onze dagen zou n.emen, erkende hij toch, dat er behalve de door hem uitdrukkelijk genoemde soorten van verzekering nog talvan andere konden worden gesloten. De verzekeringen, door den wetgever genoemd en behandeld, zijn die tegen de gevaren van brand; de gevaren waaraan de voortbrengselen van den landbouw te velde onderhevig zijn; het leven van één of meer personen; de gevaren der zee en die der slavernij; de gevaren van vervoer te lande en op rivieren en binnenwateren. Voor de tegenwoordige ontwikkeling van het verzekeringswezen zie men de artikelen arbeidersverzekering, brandverzekering, levensverzekering, werkloosheidsverzekering en zeeverzekering', hier volge nog slechts een kort overzicht van de algemeene beginselen, die de wet aan het verzekeringscontract ten grondslag heeft gelegd. Bij elke verzekering moet voor den verzekerde aanwezig zijn een belang-, ontbreekt dit, dan is de verzekering ongeldig. Het belang moet zijn op geld waardeerbaar, aan gevaar onderhevig en bij de wet niet uitgesloten. Het bedrag waarvoor ver-

Sluiten