Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verwoest door lavastroomen, welke aan de Z. lijke helling op hoogten van 600, 800 en 1200 m. te voorschijn kwamen. 160 menschen vonden, meestal onder instortende gebouwen, den dood.

Veteranen waren bij de Romeinen soldaten, welke geen deel meer uitmaakten van de legioenen, maar die tot den tijd van volledig ontslag uit het dienstverband als zoogenaamde vexillarii verder dienden. Onder Sulla zond men de veteranen naar vijandelijke steden om aldaar militaire koloniën te stichten. 18 bloeiende steden van Italië werden door Octavianus in zulke koloniën herschapen. Ook in onzen tijd worden oudgedienden met den naam van veteranen bestempeld.

Vetgans. Zie Pingoelns.

Veth, Pieter Johannes, een Nederlandsch aardrijkskundige, geboren te Dordrecht den 2den December 1814, studeerde te Leiden in de godgeleerdheid, werd in 1838 leeraar in de Engelsche taal aan de militaire academie te Breda, in 1841 hoogleeraar in de Oostersche talen te Franeker, in 1843 in de Oostersche talen en de bespiegelende wijsbegeerte aan het athenaeum te Amsterdam, in 1864 aan de Rijksinstelling voor Indische taal-, land- en volkenkunde te Leiden en in 1877 aan üe Leidsche universiteit. Hij was jaren lang voorzitter van het Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, hoofdbestuurder der Maatschappij tot nut van 't Algemeen en meer dan 30 jaar lid van de redactie van „De Gids". Van zijn hand verschenen o. a.: „Borneo's Westerafdeeling, geographisch, historisch, statistisch" (2 dln., Zaltbommel, 1854—1856), „Het eiland Timor" (Amsterdam, 1855), „Bijdragen tot de kennis der voornaamste voortbrengselen van Nederlandsch Indië" (Amsterdam, 1860), „Blik op de Nederlandsche volksschool naar aanleiding van eene reis in Frankrijk en België" (1861), „Insulinde, het land van den orang-oetan en den paradijsvogel" (naar het Engelsch van Wallace, 2 dln., 1870—1871), „Atchin en zijn betrekking tot Nederland" (1873), zijn hoofdwerk „Java, geografisch, ethnologisch, historisch" (3 dln. en register, 1873—1884, 2de druk, bewerkt door Snelleman en Niermeyer, 1896— 1903), „Ontdekkers en onderzoekers" (1884), alsmede onderscheiden bijdragen in „De Gids", het „Tijdschrift voor Nederlandsch Indië" enhet,,Bijbelsch Woordenboek." Verder schreef hij nog „Geschiedenis der Christelijke kerk in tafereelen" (1852 —1859), een „Aardrijkskundig Woordenboek voor Nederlandsch-Indië", „Midden-Sumatra, reizen en onderzoekingen der Sumatra-expeditie" (1881— 1892), „Daniël Veth's reizen in Angola, voorafgegaan door een schets van zijn leven" (met Snelleman, 1887), „Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden" (1889) en „Het paard onder de volken van het Maleische ras" (1894). In 1884 ontving hij wegens het bereiken van den 70jarigen leeftijd eervol ontslag en vestigde zich te Arnhem, waar hij den 14den April 1895 overleed.

Veth, Daniël David, een zoon van den voorgaande, geboren te Amsterdam den 17den Februari 1850, werd opgeleid tot ingenieur aan de Polytechnische scholen te Hannover en Stuttgart en nam van 1877 —1879 deel aan de Sumatra-expeditie. In 1882 was hij in Indië werkzaam tot het bijeenbrengen van voorwerpen voor de Amsterdamsche Koloniale Tentoonstelling en in 1883 was hij secretaris van den regeeringscommissaris bij die tentoonstelling, ter¬

wijl hij in September 1884 naar Afrika vertrok tot het doen van een wetenschappelijke reis in de Portugeesche bezittingen, waarop hij ziek werd en den 19den Mei 1885 nabij Benguella overleed. Zijn voornaamste werk is de „Aardrijkskundige beschrijving van Midden-Sumatra" (met atlas en photografieën, 1882), behoorend tot het werk „Midden-Sumatra." Daarnaast verscheen „Een stoomtramverbinding Padang-Padangsche Bovenlanden en de exploitatie der Ombilinkolenvelden", een brochure, welke niet in den handel is.

Veth, Jan Pieter, een Hollandsch portretschilder, etser en lithograaf, tevens schrijver, werd geboren te Dordrecht den 18aen Mei 1864 en is nu te Bussum woonachtig. Hij werd in 1880 leerling van de Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam, waar hij na 1884 les kreeg van Allebé. Tusschen de jaren '91 en '97 maakte hij een serie gelithografeerde portretten van „Bekende Tijdgenooteri', die verschenen in het weekblad de Amsterdammer. Ook maakte hij portretten voor „de Kroniek". De portretten van Veth zijn buitengemeen fijn van teekening. Hij streeft er vooral naar, de psychologie van een persoon weer te geven, en zoo behooren tot zijn beste werken portretten van intellectueelen. Zijn kunst geeft een scherpe karakteristiek en is van een zeer verzorgde uitvoering, die soms wel aan Holbein doet denken. Als schrijver verwierf hij naam met zijne boeken over „Rembrandt", „Hollandsche teekenaars" enz. In 1906 werd hij, naar aanleiding der Rembrandtfeesten te Amsterdam, door de Universiteit aldaar benoemd tot doctor honoris causa. Werken van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. in het Rijksmuseum, in het Stedelijk Museum te Amsterdam en in vele particuliere verzamelingen.

Vetkaars of Talgkaars. Zie Kaars.

Vetkoopers. Zie Schieringers en Vetkoopers.

Vetleder of Crovmleder is de naam van een soort leer, die vervaardigd wordt door de geprepareerde huid eerst in een oplossing van aluinkookzout te brengen en dan met een mengsel van meel, hersenen en klauwenvet te bestrijken.

Vetlichamen. Zie Aliphatische verbindingen.

Vetmot (Aglossa pinguinalis) is de naam van een klein vlindertje met een vlucht van 22 — 30,5 cm. en roodgrijze, zijdeachtige vleugels, waarvan de voorste met zwarte en lichte vlekken geteekend zijn. De effen gekleurde achtervleugels onderscheiden zich door lange franje. De zuigmond ontbreekt. In Maart of April komt de glanzig bruine raps, die tot aan dien tijd in vet, boter, spek en dergelijke stoffen verborgen was, te voorschijn en zoekt een plaats uit om zich te verpoppen. Ongeveer na vier weken komt de vlinder te voorschijn.

Veto (Latijn = ik verbied) was een formule, waarmede in het oude Rome een volkstribuun een besluit van den Senaat ongeldig verklaren kon. In het publieke recht verstaat men er thans de bevoegdheid onder, door de grondwet aan bepaalde personen toegekend, om de besluiten van een anderen, staatsrechterlijken factor buiten werking te stellen. Wordt het besluit daardoor voor goed opgeheven, dan spreekt men van een absoluut, wanneer zijn ten uitvoerlegging echter alleen wordt opgeschort van een suspensief veto. De meeste monarchieën en republieken houden aan het absolute veto vast. In Noorwegen echter heeft de vorst al-

Sluiten