Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan den Staat bleven volharden bestrafte en zich meester maakte van de kerkelijke goederen. Van 22—31 Mei 1854 zat hij dan ook, wegens ongehoorzaamheid aan de wetten van den Staat in de gevangenis. Ten slotte gaf echter de regeering toe en sloot in 1859 een concordaat met den Pauselijken Stoel, waarbij aan het meerendeel der eischen van Vicari werd voldaan. Toen het werd opgeheven, protesteerde hij wederom tegen de kerkelijke wetten van 1860. Niettemin leed hij in den schoolstrijd de nederlaag en beroofde hij door zijn tegenstand de geestelijkheid van allen invloed op het volksonderwijs. Hij overleed te Freiburg den 14den April 1868.

Vicarleg-oederen. In de 7de, 881® en 9de eeuw was het gebruikelijk, dat een vorst een eigen kapél had. In navolging dier vorsten bouwden de edelen afzonderlijke kleine kerken ter eere van den een of anderen heilige voor hetheilhunnerzielof ten zoen voor gepleegde wandaden, of ook wel als gevolg van gedane geloften of als dankoffer voor ondervonden geluk. Aan zoo'n kapél was een geestelijke verbonden, tot wiens onderhoud goederen werden vastgesteld, terwijl de stichters het patronaatrecht behielden, speciaal bestaande in het jus praesentationis, het recht om aan den bisschop een priester voor te dragen. Met dit jus praesentationis moet niet verward worden het jus collationis, het recht, den bisschop toekomende, om een priester in 't genot van zulk een beniflcium te stellen, 't zij deze daartoe voorgedragen was, 't zij den bisschop ook het recht van voordracht toekwam.

Zulk een met een beneficium begiftigde priester werd vicarius of eapellanus genoemd, de stichting zelve vicaria of capellania, vicarije, kapellanije of kapèlrie. De naam vicarius beteekent plaatsvervanger en heeft waarschijnlijk zijn oorsprong in de gewoonte der hoofdpriesters of kanunniken om de ondergeschikte kerkdiensten over te laten aan mindere priesters of capellani. De stichters en zij, die 't recht van presentatie hadden, heetten „giffers" of gevers, later collatoren, hoewel ten onrechte. Na de Hervorming droegen zij gewoonlijk den naam van patronen. Gewoonlijk werd in den stichtingsbrief bepaald het aantal te lezen missen en andere werkzaamheden, bijv. het onderwijs geven aan de kinderen in het paternoster, Ave Maria, het geloof enz., en in 't schrijven. De aan zoo'n stichting voor onderhoud van kapel en dienst geschonken goederen heeten vicariegoederen en bestonden meest in vaste goederen of vaste renten, soms ook in manuscripten en kostbare zaken. In enkele gevallen konden, met goedkeuring van den bisschop, de vicarissen en den collator, de vicarieën worden opgeheven, hetgeen daar vooral geschiedde, waar door verduistering of achteruitgang de inkomsten derviearieën ontoereikend waren geworden.

In ons land, waar tal van dergelijke stichtingen gevonden werden, zoodat zeer vele charters er melding van maken en de fundatiebrieven nog talloos zijn, begon men in de 16de eeuw beperking noodig te oordeelen. De kerkelijke goederen toch, welke niet gering bleken, waren bevrijd van alle belastingen, zoodat vermeerdering van kerkelijke goederen slechts den druk der ingezetenen verzwaarde, weshalve onze voorvaderen, hoe vroom ook, vermeenden hiertegen plakkaten in 't leven te moeten roepen. Zoo vinden we o. a. dat aan de landvoogdes Maria geweigerd werd het presentatierecht op een

beneficie op O. L. V. altaar in de St. Maartenskerk te Franeker. Ook kwam het meermalen voor, dat particulieren zich niet alleen het een of ander collatierecht toeëigenden, door den loop der tijden minder bekend geworden, maar tevens de goederen, aan zulk eene collatie verbonden, als hun eigendom beschouwden.

Hiertegen gaf o. a. Karei V plakkaten. De Hervorming bracht nog grootere verwarring, en — zeer natuurlijk — de geestelijkheid verloor haar macht, en dit niet alleen, maar de vraag ontstond: hoe te handelen met de geestelijke goederen en met de vicarieën in 't bijzonder. Daar de stichtingsbrieven der laatste, vooral waar zij betrekking hadden op het bedienen der missen en het lezen der zielmissen, hunne waarde verlorenhadden of juister, daar hieraan niet meer kon worden voldaan, ontstonden er verschillende meeningen aangaande die goederen. Sommigen beschouwden alle goederen, aan de R. Katholieke Kerk behoord hebbende, als heerloos, ergo als aan den Staat vervallen zonder eenige nadere betrekking of bestemming, anderen oordeelden, dat zij ad pias causas moesten worden aangewend, weêr anderen hadden de zedelijke overtuiging, dat ze aan de erven der stichters moesten terugvallen, iets wat meestal onmogelijk was, daar óf tal van stichtingsstukken verdwenen, óf de geslachten uitgestorven waren. Ook meenden sommigen, dat die goederen gemeente-eigendom moesten worden, terwijl er nog anderen waren, die de vicarieën wenschten hervormd te zien tot studiebeurzen.

De feitelijke loop van de zaak was, dat de goederen, voor zoover ze niet verduisterd waren, gedeeltelijk werden gebruikt tot tractementsverbetering voor predikanten, voor zangers en kerkelijke personen, alsmede hier en daar voor de armen, terwijl verder uit de inkomsten zoogenaamde leenen, praebenden of studiebeurzen werden gevormd om zoodanigen voor de studie op te leiden, die hiertoe werden voorgedragen of begiftigd.

Vicaris (Latijn: vicarius) beteekent plaatsvervanger. In de Middeleeuwen heetten de stadhouders in Italiaansche steden keizerlijke vicarissen. In Duitschland heette vroeger de vorst, die na den dood van den keizer tot aan de nieuwe keizerskeuze de plichten van den keizer op zich nam, rijksvicaris. Thans is vicaris inzonderheid een geestelijke titeL In Engeland geeft men dezen titel aan geestelijken, die slechts een klein deel van het inkomen, dat oorspronkelijk door stichtingen verkregen werd, ontvangen, terwijl de hoogere geestelijken, de eigenlijke titularissen het grootste deel ontvangen. Zie ook Vicariegoederen.

Vicarius. Zie Vicaris en Vicariegoederen.

Vice, van het Latijnsche woord vicis (beurt), duidt als voorvoegsel voor een ambtstitel een plaatsvervanger aan, zooals vice-president (in plaats van den president), vice-admiraal, vice-kanselier enz. In de Middeleeuwen had men nog de titels vicecomes (vicegraaf), waaruit de waardigheid vicomte ontstond, meedom (vice-dominus), beschermheer, beschermvoogd, en vidame (vice-dominus), beschermheer van kerkelijke goederen, thans zooveel als administrateur van geestelijke bezittingen. Iemand vices of in vicibus vertegenwoordigen, beteekent de plaats van een afwezigen ambtenaar vervullen. Vicario nomine, afgekort v. n. beteekent als plaatsvervanger.

Sluiten