Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

instrument kreeg den naam symphonie en chifonie, in de 16de eeuw vielle of vieÜa, welke naam vroeger aan de viool behoorde. Later werd de vielle door het draaiorgel verdrongen.

Viellê Griffin, Francis, een Fransch dichter, geboren den 26a,en Mei 1864 te Norfolk (Virginia, N. Amerika), werd sedert 1872 te Parijs opgevoed en bewoont na zijn huwelijk gewoonlijk zijn landgoed in Tourraine. Hij behoort tot de in 1886 gestichte school der Symbolisten en heeft steeds aan het vrije vers vastgehouden. Karakteristiek is zijn onverwoestbaar optimisme. Begonnen met „CueiÜe d' avril" (1886), deed hij daarna „Les cygnes" (1887, tweede reeks, 1892), „Ancaeus" (1888) en „Joies" (1889) verschijnen. Met „La chevauchée d'Yldis" (1893), een duister heldendicht, werd hij als 't ware het voorbeeld der Symbolisten. Het vormt het slot van de volledige uitgave van zijn „Poèmes et poésies" (189B). Later verschenen nog: „La clarté de vie" (1897) en „Plus loin" (1906).

Vien, Joseph Marie, een Fransch schilder, geboren den 18den Juni 1716 te Montpellier, was een leerling van Natoire, begaf zich in 1744 met een rijksjaargeld naar Rome en stond sedert 1760 te Parijs aan het hoofd van een schilderschool. In 1775 werd hij directeur van de Fransche schilderschool te Rome, keerde in 1781 terug naar Parijs en werd in 1789 benoemd tot eersten schilder des Konings. Napoleon benoemde hem tot senator en rijksgraaf. Vien overleed te Parijs den 27s,en Maart 1809. Tot zijn leerlingen behoort David.

Zijn kleindochter, Rose Céleste Vien, de dochter van generaal Bache, onderscheidde zich als dichteres, leverde een uitgave van Anacreon met een Fransche prozavertaling (1825) en een dichterlijke vertaling der „Basia" van Janus Secundus (1832). Zij overleed te Bordeaux den 27Bten Maart 1882.

Vienne, bij de Ouden Vigenna, een rivier in het westen van Frankrijk, ontspringt in het departement Corrèze, op de hoogvlakte van Millevache, niet ver van den Mont Odouze, stroomt in westeliike en noordeliike richting door de departementen

Haute Vienne, Charente, Vienne en Indre-et-Loire en mondt na een loop van 350 km., waarvan 75 km. bevaarbaar zijn, bij Candes tusschen Tours en Saumur uit in de Loire. Tot haar belangrijkste zijrivieren behooren op den rechter oever: de Maulde, de Taurion en de Creuse, en op den linker oever: de Briance, de Clain en de Veude.

Vienne, een departement in het W. van Frankrijk, grootendeels gevormd uit het voormalig landschap Poitou en uit gedeelten van Touraine en Berri, is omgeven door de departementen Indre-et Loire, Maine-et-Loire, Lidre, Haute Vienne, Charente en Deux Scvres, en telt op 7044 v. km. (1906) 333 643 inwoners. Het land is in het algemeen vruchtbaar en vlak, de grootste hoogte (bij Ch&tellerault) bedraagt 171 m. Tot de rivieren behooren de Vienne met de Creuse, de Dive du Nord en de Charente. Het klimaat is over het geheel zacht en gezond, de temperatuur verandert echter soms plotseling. Tot de voornaamste voortbrengselen behooren: tarwe, haver, gerst, rogge, aardappelen, peulvruchten, wijn, kastanjes, ooft, timmerhout, vee, wild, gevogelte en visch; het delfstoffenrijk levert: marmer, kalk, molen- en slijpsteenen, lithografische steenen en ijzer. De ijzerindustrie is van veel belang, verder Wordt er passementwerk,

machines, leer en papier vervaardigd. Er word voornamelijk handel gedreven in voortbrengselen van het land. Men heeft er een lyceum en 3 colleges* De spoorweg van Tours naar Bordeaux met zijn zijtakken doorsnijdt het departement. Het is in 5 arrondissementen verdeeld en heeft Poitiers tot hoofdstad.

Vienne, een arrondissementshoofdstad in het Fransche departement Isère, ligt op den linker oever van de Rhöne, welke hier de Gère opneemt. Er is een hangende brug over eerstgenoemde rivier, de stad is een station van den spoorweg van Lyon naar Marseille, Zij heeft een sclioone kade, een voormalige (hoofdkerk St. Maurice, 1190—1251 in Gotischen stijl gebouwd, de voorgevel is van 1533), een Romaansche abdijkerk St. Pierre, waarin tegenwoordig het museum Lapidaire gevestigd is, een modern stadhuis, een gedenkteeken voor Ptmsard en (1906) 22 873, als gemeente 24 887 inwoners. De stad is do zetel van een gerechtshof, van een handelsrechtbank, van een Kamer van Koophandel en nijverheid enz. Men vindt er een gemeentelijk college, een bibliotheek, een teekenschool, een school voor handel en nijverheid, een museum en een schouwburg. Er is veel nijverheid, vooral fabrieken van laken en van andere wollen stoffen, van katoenen goederen, watten, stalen en ijzeren voorwerpen, papier, leder, zeep, glas, machines enz. Verder houden de inwoners zich bezig met wijnbouw en handel. Men vindt er nog vele overblijfselen uit den tijd der Romeinen en onder deze een goed bewaard gebleven tempel in Korinthischen stijl uit den

tijd van Augustus, een vrerKante pyramiae ter noogte van 15,5 m. op een porticus en twee bogengangen, waarschijnlijk van een antieken schouwburg. Op de heuvels in de nabijheid vindt men ruïnes van kasteelen en een kolossaal standbeeld van de Maagd Maria. De oude stad Vienna lag in Gallia Transalpina aan den Rhodanus, was reeds als hoofdstad der AUobrogen in de 3de eeuw v. Chr. een bloeiende plaats, werd onder keizer Claudius de residentie van den praefectus van Gallia Narbonensis en onder Dioclelianus de hoofdstad van Gallia Viennensis. Valentinianus II verloor er in 392 het leven. Omstreeks 450 werd Vienne de hoofdstad van het Bourgondische rijk, kwam in 534 in de macht der Franken, werd in 879 wederom de hoofdstad van Bourgondië aan deze zijde van het Juragebergte, daarna de hoofdplaats van een graafschap Vienne, dat tot het Daupliiné behoorde, maar kwam eerst in 1448 aan de Kroon van Frankrijk. Er werden onderscheiden conciliën gehouden, bijv. in 1112, toen keizer Hendrik IV wegens het door hem geëischte investituurrecht in den ban gedaan werd, en in 1311 het 16de oecumenische concilie, en in 1311 het 16de oecumenische concilie, waar de orde der Tempelheeren werd opgeheven.

Vienne, Haute. Zie Haute Vienne.

Viennet, Jean Pons Guillaume, een Fransch dichter en staatsman, geboren den 18den November 1777 te Béziers, nam in 1796 dienst bij de marine, later bij het leger te lande en onderscheidde zich in 1813 in den oorlog in Duitscliland, totdat hij te Leipzig krijgsgevangen werd gemaakt. Na de Restauratie op vrije voeten gesteld, kwam hij in 1816 in Frankrijk bij den generalen staf, maar werd in 1827 wegens zijn scherpen: „Epïtre aux chiffonnière" uit de gelederen verwijderd. In datzelfde jaar zag

Sluiten