Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In Juli 1879 werd hij in het ministerie Cairoli belast met de portefeuille van Binnenlandsche Zaken en in November met die van Justitie, maar legde ze den 14den Mei 1881 bij den val van het ministerie neder. Van 1895—1897 en in 1900 was hij voorzitter der Kamer. Behalve verschillende juridische geschriften, publiceerde hij een treurspel „Alessandro III."

Villach, een stad in Karinthië, in een ruime dalkom op den rechter oever van de Drau en aan de spoorwegen Amstetten—Pontafel en Marburg— Fravzensfeste gelegen, terwijl het bovendien door een spoorweg met Rosenbach is verbonden, is de zetel van een rechtbank en van de directie der staatsspoorwegen. Het bezit een Gotische kerk (14de eeuw) met een marmeren kansel en een 96 m. hoogen toren, een stadhuis, een gymnasium, een vakschool voor houtbewerking, fabrieken voor machinedeelen, lood-, papier- en lederwaren, parketvloeren, verven en koffiesurrogaten, bierbrouwerijen enz. De stad, welke een levendigen handel drijft in hout, telt (1900) 9690 en na de annexatie van eenige aangrenzende gemeenten 12 689 inwoners. Ten Z. van de stad ligt een warme, zwavelhoudende bron, waarbij een badhuis en een hotel met fraaie parken; Z.O.lijk de prachtige Faaker See (561 m. boven den zeespiegel, 220 H.A. oppervlakte), met een eiland, door bosschen bedekt, een hotel en een badinrichting; W.lijk Mittewald, een zomerverblijfplaats met een watergeneesinrichting, twee kerken en den Dobratsch (Villacher Alp, 2167 m.) en N.O.lijk de Ossiacher See.

Villach werd door Hendrik 11 in 1007 aan het bisdom Bamberg geschonken. In 1760 werd het aan Oostenrijk verkocht. Hier overwon Maximiliaan 1 in 1492 de Turken en had den 218ten Augustus 1813 de slag tusschen de Oostenrijkers onder Frimont en den onderkoning Eugmius van 1 talie plaats.

Villafranca del Panadés, een distriktshoofdstad in de Spaansche provincie Barcelona, in de vruchtbare vlakte El Panadés aan den spoorweg Barcelona—Tarragona gelegen, bezit een kerk met hoogen toren (14de eeuw), een Gotisch paleis der Aragonsche vorsten, brandewijnstokerijen, gieterijen en linnenweverijen en telt (1900) 7749 inwoners. Naar het schijnt, is de plaats door Éannibal gesticht.

Villafranca di Verona, een distriktshoofdstad in de Italiaansche provinice Verona, gelegen aan den Tartaro en aan den spoorweg Verona— Modena, heeft een vervallen burcht (12de eeuw) en telt (1901) 3825 (als gemeente 9461) inwoners, die de zijdeteelt beoefenen. Hier werd den 111" Juli 1859 de voorloopige vrede gesloten tusschen Napoleon 111 en den keizer van Oostenrijk.

Villafranca do Campo, een havenplaats in het Portugeesche distrikt Ponta Delgada, gelegen op het Azoreneiland San Miguel, bezit een fort en warme zwavelbronnen en telt (1900) 7527 inwoners.

Villani, Giovanni, een Italiaan sch geschiedschrijver uit Florence, oorspronkelijk koopman, schreef een kroniek der geschiedenis van Florence, waarin hij bovendien de geschiedenis van Middelen Noord-Italië en die van andere landen verwerkte, welk' werk door zijn broeder Matteo en diens zoon Fillippo tot het jaar 1634 werd voortgezet. De kroniek is niet vrij van dwalingen, maar onderscheidt zich door een onopgesmukten stijl en is van groote waarde voor onze kennis van de 14de eeuw.

Zijn neef, Fillippo Villani, schreef bovendien „De origine civitatis Florentinae et ejusdem civibus". Het eerste deel „Liber de origine civitatis," dat nooit in druk is uitgekomen, bevat bijna niets dan fabels; het tweede „Liber de civitatis Florentinae famosis civibus", werd in 1847 door Galletti (Italiaansche vtrtaling door Mazzuchelli, 1847) uitgegeven. Dit werk is de eerste proeve van een geschiedenis der vaderlandsche letterkunde. Een volledige uitgave der kronieken van de drie Villani's bezorgden Maulier (8 dln., Florence, 1823) en Gherardi-Dragomanni (7 dln., Florence, 1845—1847).

Villanova is een plaats ten Z.O. van Bologna, bekend door een voorhistorisch gravenveld. Op een oppervlakte van 74 m. lengte e:i 27 m. breedte werden meer dan 200 graven gevonden, waarvan er slechts 14 beenderen, de andere asch bevatten.

Villanneva, Joaquin Lorenzo, een Spaansch schrijver, geboren den 10den Augustus 1757 te Jativa (Valencia), wijdde zich aan den geestelijken stand en was in 1810 lid van de Cortès. Na den terugkeer van den koning (1814) moest hij zijn vrijzinnige gevoelens boeten met het verlies zijner vrijheid, en eerst in 1820, na een 6-jarige gevangenschap in het klooster van Salceda,-werd 'hij weder op vrije voeten gesteld. In 1820 weder in de Cortès gekozen, werd hij korten tijd daarna gevolmachtigd minister bij den Paus, die"echter weigerde hem te ontvangen. Na de restauratie van het absolutisme in 1823 nam hij de vlucht naar Engeland, vanwaar hij zich later naar Ierland begaf. Hij leverde onderscheidene godgeleerde en letterkundige geschriften en maakte zich als dichter bekend door zijne „Poesias escogidas"(1833). Bovendien publiceerde hij een belangwekkende levensbeschrijving van zich zelf „Het letterkundig leven van J. Villanueva"(Londen, 1825). Hij overleed den 26sten Maart 1837 te Dublin.

Villanueva, Francisco Jaime, een Spaansch geleerde, een broeder van den voorgaande, geboren in 1765 te San Filipe, werd in 1802 door Karei IV belast met een oudheidkundige inspectie van alle Spaansche kerken. Zij leverde hem het materiaal voor een zeer belangrijk werk „Viage literario a los iglesias de Espana"(1803—1806, 1821—1832). Hij overleed in ballingschap den 14den November 1824 te Londen.

Villari, Pasquale, een Italiaansch geschiedschrijver en staatsman, geboren te Napels den 8den October 1827, nam in 1848 deelaanderevolutionnaire bewegingen aldaar, begaf zich vervolgens naar Florence, werd in 1859 hoogleeraar in de wijsbegeerte te Pisa en in 1866 hoogleeraar in de geschiedenis aan het Instituto di studj superiori te Florenct. In 1867 tot afgevaardigde gekozen, werd hij in 1884 benoemd tot senator, terwijl hij van Februari 1892— Mei 1892 minister van Onderwijs in het Kabinet di

Rudini was. In 1903 fungeerde hij als voorzitter van het internationaal geschiedkundig congres, was daarna nog ondervoorzitter van den senaat en keerde in 1909 tot het ambteloos leven terug. Hij schreef o. a,. : „La storia di Girolamo Savonarola e de'suoi tempi' (2de druk, 3 dln., 1887), „La civilta latina e germanica"(1862), „Le leggende che illustrano la Divina Commedia"(1165), „Niccolo Macliiavelli e i suoi tempi"(2de druk, 3 dln., 1895), „I prime due secoli della storia di Firenze"(nieuwe druk, 1905), „Le invasioni barbariche in Italia"(2de druk, 1905) en „L'Italia da Carlo Magno alla morte di Arrigo VII" (1910). Zijn kleinere geschriften verschenen verza-

Sluiten