Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

and van Griekenland. Bij het uitbarsten der Fransche Revolutie begaf hij zich naar Orleans. Nadat hij in 1800 te Parijs was teruggekeerd, werd hij lid van het Instituut en hoogleeraar in de oude en nieuwe Grieksche taal aan het Collége de France. Van zijn werken noemen wij nog de uitgaven van het „Lexicon graecum Illiadis et Ödysseae" (2 dln., 1773) van Apollonius en van de „Pastoralia" (2 dln., 1787) van Longos. Hij overleed den 26stei1 April 1805 te Parijs.

Vilmar, August Friedrich Christian, een Duitsch godgeleerde, geboren den 218ten November 1800 te Solz in Keur-Hessen, studeerde te Marburg in de theologie, aanvaardde in 1821 het predikambt, zag zich in 1831 afgevaardigd naar de Stendenvergadering en werd, nadat hij van zijn vrijzinnige gevoelens was teruggekomen, weldra lid van de hoogste kerk- en schoolcommissie en in 1833 directeur van het gymnasium te Marburg. In Maart 1850 werd hij met den titel van consistoriaalraad adviseerend raadsheer bij het ministerie van Binnenlandsche Zaken benoemd. Hij verloor echter zijn betrekking bij de aftreding van het ministerie Hassenpflug, waarna hij in 1855 hoogleeraar in de godgeleerdheid te Marburg werd. Van zijn geschriften vermelden wij „Schulreden über Fragen der Zeit" (3de druk, 1886), „Die theologie der Thatsachen und die Theologie der Rhetorik" (4de druk, 1876) „Vorlesungen über die Geschichte der deutschen Nationallitteratur" (25ste druk, 1900), „Deutsche Altertümer im Heliand" (24e druk, 1862), „Zur Literati.r Johann Fischarts" (2de druk, 1865), „Deutsches Namenbüchlein (6de druk, 1898), „Handbüchlein für Freunde des deutschen Volksliedes" (3de druk, 1886) en „Idiotikon von Kurhessen" (1868). Van 1848—1851 gaf hij het weekblad „Der hessische Volksfreund" uit. Het grootste gedeelte van de opstellen,welke hij daarin schreef, verschenen verzameld onder den titel: „Zur neuesten Kulturgeschichte Deutschlands" (3 dln., 1858—1867). Van 1861—1866 gaf hij de „Pastoraltheologische Blatter" uit. Hij overleed den 308ten Juli 1868 te Marburg. Uit zijn nalatenschap verschenen: „Theologische Moral" (3 dln., 1871), „Lehrbuch der Pastoraltheologie" (1872) en „Dogmatik" (2 dln., 1874—1875).

Villon (eigenlijk de Montcorbier), Franfois, •een Fransch dichter, geboren te Parijs in 1431, studeerde aldaar voor magister artium, maar leidde daarna een losbandig leven. In 1455 wegens doodslag uit noodweer uit Parijs verbannen, sloot hij zich bij de dievenbende la Coquile aan, werd in 1457 tot de galg veroordeeld en bevond zich in 1461 in de gevangenis te Meung-sur-Loire, waaruit hem de amnestie bij de troonsbestijging van Lodeurijk XI verloste. In 1463 opnieuw tot de galg veroordeeld, werd zijn straf veranderd in 10 jaar verbanning uit Parijs. Waarschijnlijk is hij eenige jaren later overleden. Villon, is de eerste, waarlijk moderne en natuurlijke dichter van Frankrijk. Zijn gedichten, „Le grand testament de Villon et le petit, son codicille, le jargon et ses ballades," voor het eerst verschenen in 1489, werden tot 1542 27 maal herdrukt. Van de latere noemen wij die van W. von Wurzbach (1903) en van Schneegans (1907). Het Stockholmer handschrift werd door M. Schwób in facsimile uitgegeven {1905).

Vilt is de naam van een hecht samenhangende stof, die niet door weven, maar door het in elkander slingeren van de wol of de haren wordt vervaardigd.

Bij de viltfabricage wordt de wol, evenals bij het spinnen, op een wolf uit elkander gemaakt, daarna gewasschen, gedroogd en nogmaals gewolfd, om vervolgens op een kaardmachine gekaard en in een watlaag van ongeveer 2 m. breedte, tot 40 m. lengte en van een dikte, die van de fijnheid van het te vervaardigen vilt afhangt, veranderd te worden. Deze watlaag wordt door middel van een toevoerdoek zonder einde herhaaldelijk tusschen 2 walsen doorgevoerd en telkens met een nieuwe laag vereenigd, totdat de noodige dikte bereikt is. Vervolgens wordt het vlies door de viltmacliine tot vilt verwerkt. Deze machine bestaat uit 2 rijen viltwalsen, waarvan de bovenste uit hout, de onderste uit hout of ijzer bestaan. Behalve de draaiende, hebben de bovenste walsen nog een heen- en weergaande beweging. Het vlies wordt eerst gedupleerd en vervolgens door de machine bewerkt, meestal meer dan eens. Vervolgens wordt het gewasschen, gezeept, gevold, nogmaals gewasschen, soms geverfd en dan gedroogd. Vilt wordt gebruikt voor hoeden, voor voetbekleeding, bij stoomcylinders enz. als omwikkeling om afkoeling te verhinderen, voor filtreerzakken enz. Zeer fijne vilt uit merinoswol wordt gebruikt om de hamertjes van de piano te bekleeden.

Vilvoorden, een plaats in de Belgische provincie Brabant, gelegen aan de monding der Woluwe in de Senne, aan het Kanaal van Willebroek en aan den spoorweg Brussel—Meclielen, heeft een Gotische kerk, een in 1849 gestichte middelbare tuinbouwschool, een rijks middelbare school voor jongens, een gemeentelijke middelbare school voor meisjes en een groot militair tuchthuis. De plaats, welke (1905) 14 706 inwoners telt, bezit machine-, lijm-, stijfsel- en borstelfabrieken, leerlooierijen, bierbrouwerijen en jeneverstokerijen. Men houdt haar voor de oudste stad in Brabant.

Vin. Zie Bloedvin.

Vin. Zie Visschen.

Vinalia of wijnfeesten werden bij de Romeinen gevierd op den 22s,en April. Dan werd bij het openen der wijnvaten van den voorgaanden oogst van elk vat een beker ter eere van Jupiter geplengd. Verder werd op den 19den Augustus een tweede wijnfeest gevierd, om den zegen van Jupiter af te smeeken over den wijnoogst.

Vinarmig-en. Zie Pediculati.

Vinaróz, een distriktshoofdstad in de Spaansche provincie Castellon de la Plana, gelegen in een vruchtbare vlakte nabij de monding van de kustrivier Cerbol in de Middellandsche Zee en aan den spoorweg Valencia—Tarragona, telt (1900) 8625 inwoners en bloeit door scheepsbouw, visscherij en wijnbouw, terwijl het handel drijft in wijn en olijfolie, Johannisbrood en rijst.

Vinca L., Zie Maagdepalm.

Vincennes, een O. lijke voorstad van Parijs, gelegen aan den spoorweg Parijs—Verneuil—1'Etang en door een tram met Parijs verbonden, is bekend door een oud kasteel, in de Middeleeuwen meermalen het verblijf der Fransche koningen, later staatsgevangenis, dat in 1832 werd veranderd in een fort van de binnenste verdedigingswerken van Parijs en in 1839 door vergrooting aan de O. zijde versterkt werd. In de droge gracht van dit kasteel werd den 20sten Maart 1804 de hertog van Enghien gefusilleerd. Bij het kasteel behooren een Gotische kapel en een 52 m, hQQge toren, vanwaar men een

Sluiten