Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

prachtig panorama ziet. Ten Z. van Vincennes ligt het Bois de Vincennes met een oppervlakte van 954 H. A., een druk bezochte uitspanningsplaats der Parijzen aars. Vincennes bezit een handelsschool, een artillerieschool en een school voor militaire administratie, fabrieken voor gummiwaren, patronen, muziekinstrumenten enz. en telt (1906) 34185 inwoners.

Vincent, John Jervis, graaf Saint. Zie Saint Vincent.

Vincent of Vincentius de Paulo, zie onder Paula.

Vincent van Beauvais (Latijn: Vincentius Belbvacensis), een geleerde Dominicaner monnik in het klooster te Beauvais, schreef op last van Lodewijk IX, koning van Frankrijk, aan wiens zonen hij onderwijs gaf, onder den titel: „Speculum quadruplex" (4 dln., 1624) een soort van encyclopaedie, welke een goed overzicht geeft van den toenmaligen stand der godgeleerdheid en der wijsbegeerte. Hij overleed omstreeks 1264.

Vincent van Gogh. Zie Gogh, Vincent van.

Vincentius de Paulo. Zie Paula, Vincentius de.

Vincetoxinm. Zie onder Engbloem.

Vinei. Zie Leonardo da Vinei.

Vlnckboons, David, een Hollandsch landschap- en genreschilder, werd geboren te Mechelen in 1678 en overleed te Amsterdam in 1629. Sedert 1591 tot zijn dood leefde hij te Amsterdam. Hij is waarschijnlijk een leerling van zijn vader Philips Vinckboons. Hij was in zijn tijd zeer gezocht en had verscheiden leerlingen. De wijze van landschapschilderen van den Fluweelen Brueghel is door hem in Holland ingevoerd. Op lateren leeftijd schilderde hij meest genrestukjes, veelal kermissen of een enkele maal groote landschappen met een Bijbelsch tafereel, gestoffeerd met tal van aardige, kleine figuurtjes. Werken van zijn hand bevinden hier te lande o. a. in het Rijksmuseum te Amsterdam en in het Mauritshuis te 's Gravenhage.

Vincke, Ludwig Friedrich Wilhelm Philipp, vrijheer von, een Pruisisch staatsman, geboren den 23'"'11 December 1774 te Minden, studeerde in de rechten, trad in 1795 in staatsdienst te Berlijn en was vervolgens in rechterlijke betrekkingen werkzaam in het distrikt Minden. Na de komst der Franschen in 1806 begaf hij zich naar Engeland, om aldaar de belangen van zijn vaderland te behartigen. Na den Vrede van Tilsit keerde hij terug en werd chef van het bewind te Potsdam, maar nam in 1810 zijn ontslag, waarna hij het klassieke werk: „tlber die Verwaltung Groszbritanniens" (1816) schreef. Naar den linker Bijnoever verbannen, brachten de gebeurtenissen van 1813 hem weder in Duitschland; als gouverneur van Westfalen ontwikkelde hij een ongemeenen ijver, inzonderheid inhetorganiseeren van de landweer en van den landstorm. In 1815 werd hij opperpresident van de nieuwe provincie Westfalen en in 1817 lid van den staatsraad. Als opperpresident zorgde hij voor den aanleg van wegen en voor het bevaarbaar maken der Lippe tot aan Hamm; verder bracht hij de Rijnhaven bij Ruhrort in orde, regelde de verhouding van bezitters van riddergoederen en landbouwers, bevorderde den landbouw door de verdeelng der heide, stichtte onderscheiden kweekscholen voor onderwijzers en droeg zorg voor wetenschappelijke instellingen. Hij overleed den 2ie" December 1844. Den 3den

Augustus 1857 werd op Hohensburg bij Hagen een toren ter hoogte van 30 m. aan zijn nagedachtenis gewijd.

. Vincke, Georg Ernst Friedrich, vrijheer von, een Pruisisch staatsman, een zoon van den voorgaande, geboren den 15den Mei 1811 te Busch bij Hagen in het graafschap Mark, studeerde te Göttingen en te Berlijn in de rechten en was eerst te Berlijn, vervolgens te Munster en te Minden in rechterlijke betrekkingen werkzaam. In 1847 werd hij landraad en verscheen in 1845 als afgevaardigde van de ridderschap van het graafschap Mark op de provinciale Westfaalsche Landdagen van 1843 en 1845, waar hij zich als geestig en slagvaardig redenaar deed kennen. Nog meer maakte hij zich bekend als lid van den Pruisischen Vereenigden Landdag van 1847. Door het kiesdistrikt Hagen afgevaardigd naar de Duitsche Nationale Vergadering, toonde hij zich daar beslist anti-revolutionnair, drong steeds aan op overleg met de regeeringen en werd één der bekwaamste leiders der constitutioneele, erfkeizerlijke partij. Op het einde van 1849 werd hij lid van de Pruisische Tweede Kamer, waar hij de democratische linkerzijde even heftig als de staatkunde van het ministerie Manteuff el bestreed. Nadat hij zich gedurende de jaren 1855—1857 uit het staatkundige leven had teruggetrokken, verscheen hij in 1858 weder in het Huis van Afgevaardigden, waar hij de leider werd der vrijzinnige meerderheid, die het ministerie van de nieuwe aera zou ondersteunen, maar daarmede over de legerhervorming ten val kwam. In 1863 niet herkozen, aanvaardde hij in 1866 weder een mandaat naar het Huis van Afgevaardigden, waar hij de oud-liberale fractie vormde. Ook in den Rijksdag van 1867—1869 was hij de voornaamste redenaar der oud-liberalen. Hij overleed den 3aen Juni 1875 te Oynhausen.

Vincke, Gisbert vrijheer von, een Duitsch dichter, een broeder van den voorgaande, geboren den 6de" September 1813 op het landgoed Haus Busch bij Hagen, studeerde te Heidelberg en Berlijn in de rechten, was van 1846—1860 regeeringsbeambte te Munster en vestigde zich daarna te Freiburg in Breisgau. Behalve vertalingen uit het Engelsch naar Shakespeare („Ende gut, alles gut", „Masz für Masz", „Cymbeline", „Antonius und lvleopatra" enz.) en naar Calderon" „Die Tochter der Luft", „Das Leben ein Traum"), schreef hij: „Gedichte" (2ae druk, 1863), „Sagen und Bilder aus Westfalen" 1857), „lm Banne der Jungfrau" (2de druk, 3 dln., 1873), „Lustspiele"(1869, nieuwe reeks, 1881), „Reisegeschichten" (1869), „ABC für Haus und Welt" 3de druk, 1880), „Ein kleines Sündenregister" (4de druk, 1889), „Kleine Geschichten" (2 dln., 1889) en „Zwei westfalische Geschichten" (1892). Hij overleed den 6den Februari 1892 te Freiburg in Breisgau. Na zijn dood verschenen zijn „Gesammelte Aufsatze zur Bühnengeschichte" (1893).

Vincke-Olbendorf, Karl Friedrich I/udvng, vrijheer von, een Pruisisch staatsman, behoorende tot de jongere lijn, geboren te Minden den 17del1 April 1800, bezocht de militaire school, vertrok in 1838 met von Moltke naar Turkije, om er een verbeterde legerorganisatie te bewerken en nam aan den oorlog tegen Egypte deel. In 1843 nam hij ontslag en wijdde zich aan het beheer van zijn landgoed 01bendorf bij Strehlen. In 1849 werd hij lid van de Eerste Kamer in Pruisen, in 1850 had hij zitting in

Sluiten