Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Viool, is een handzaaiwerktuig voor het zaaien van zaden, bijv. klaverzaden, lijnzaad en rogge, in't wild. De zaden vallen van uit een draagbaar bakje door een gleuf op een van blik vervaardigde schijf, voorzien van opstaande ribben en door een stok met snoer in heen- en weergaand ronddraaiende beweging gebracht, waardoor de zaden, ten gevolge van de daarbij ontwikkelde middelpuntvliedende kracht, worden weggeslingerd.

Viotta, Joamies Josephus, een Nederlandschgeneeskundige en toonkunstenaar, geboren te Amsterdam den 14aen Januari 1814, studeerde en promoveerde te Leiden in de geneeskunde, gedurende welken tijd hij reeds door zijn composities naam maakte. Als geneesheer te Amsterdam gevestigd, werd hij bestuurder van de Maatschappij tot beoefening der Toonkunst en later ook lid van het hoofdbestuur van het Koninklijk Nederlandsch Instituut. Van zijn composities, welke uitmunten door rijkdom van melodische ideeën en expressie, noemen wij: „Libera me, DomineP', „Salve regina", 3 missen voor mannenstemmen met orgelbegeleiding, „Sex cantica sub elevatione", „Sex cantica beatae Mariae virginis", 6 vierstemmige liederen voor gemengd koor, benevens verschillende, eenstemmige liederen, waaronder: „La prière d'une mère", „La nostalgie", „De resida" en „Wiegezang" en de volksliederen: „De kabels los", „Een scheepje in de haven lag" en „Heb je wel gehoord van de zilveren vloot." Hij overleed den 6df,n Februari 1859 te Amsterdam.

Viotta, Henri, Anastasius, een Nederlandsch toonkunstenaar, een zoon van den vorige, werd den 16den Juli 1848 te Amsterdam geboren. Aanvankelijk werd de muziek door hem als bijzaak beoefend. Hij studeerde in de rechten aan de Universiteit te Leiden, en promoveerde aldaar in 1877 op een proefschrift getiteld: „Het auteursrecht van den componist". Inmiddels had hij zich ook muzikaal op degelijke wijze ontwikkeld, genoot eerst onderricht van zijn vader, daarna van W. A. Smit (piano), R. Eol (compositie) enMerlm(violoncel). Inl864ging hij naar Keulen, waar hij o.a. de lessen volgde van F. Eiller. In 1869—1870 was hij directeur der Amsterdamsche orkestvereeniging. In 1878 vestigde hij zich als advocaat te Amsterdam, waar hij zich weldra weder uitsluitend aan de muziek wijdde. Hij legde zich in het bijzonder toe op de studie der werken van R. Wagner en richtte in 1883 de Wagner-Vereeniging op, waarin hij zich als uitmuntend dirigent deed kennen en die onder zijn leiding tot grooten bloei kwam. Hij was in Amsterdam bovendien directeur der zangvereniging „Excelsior", van de „Maatschappij Caecilia" en van het „College voor Muziek". Li 1896 volgde hij Nicolai op als directeur der Koninklijke muziekschool te 's Gravenhage, weldra herdoopt „Koninklijk conservatorium". Hij richtte te' s Gravenhage het „Residentieorkest" op. Behalve als dirigent en componist, onderscheidde hij zich ook als schrijver over muziek. Hij was muzikaal medewerker van „De Telegraaf", schrijft muzikale kronieken in „De Gids", redigeerde van 1891 tot 189B het „Maandblad van Muziek" en volgde in 1896 Nicolai op als redacteur van „Caecilia". In afzonderlijke uitgaven verschenen o.a. van hem: „Beroemde Toonkunstenaars", later herdrukt als „Helden der Toonkunst", „Lexicon der Toonkunst", „R. Wagner's leven en werken" en . Onze hedendaagsche Toonkunstenaars",

Viotti, Giovanni, Batlista, een Fransch vioolspeler en componist, geboren den 23Bten Mei 1763 te Fontanetto in Piëmont, ontving eerst onderwijs van zijn vader, totdat hij in staat gesteld werd zijn opleiding bij Pugnani te Turijn te voltooien. In 1780 ondernam Viotti zijn eerste kunstreis, bezocht Duitschland, Rusland, Polen, Frankrijk en Engeland en wekte overal groote geestdrift door zijn uitstekend vioolspel. Te Parijs ontving hij van Maria Antoinetta een benoeming tot accompagnateur. Nadat hij deze betrekking door overtredingen der etiquette was kwijt geraakt, dirigeerde hij gedurende eenigen tijd de kapel van den hertog de Soubise. Met Léotrnrd, den kapper der koningin, richtte hij daarop te Parijs een Italiaansche opera op, welke echter bij het uitbreken der Revolutie te gronde ging. Hij vertrok naar Londen, waar hij met Haydn concerten gaf. Daar hij onder verdenking viel van staatkundige bemoeiingen, begaf hij zich naar Schenfeld bij Hamburg, waar hij ten huize van één zijner vrienden zich tot 1795, uitsluitend met compositie bezig hield. Toen keerde hij naar Londen terug en zocht er zijn onderhoud als wijnkooper. In 1818 echter vertrok hij opnieuw naar Parijs en belastte zich aldaar in 1819 met het bestuur der groote opera, welke hij echter niet voor verval kon bewaren. Met pensioen ontslagen, vestigde hij zich daarop weder te Londen. Behalve eenige sonaten voor viool, schreef hij onderscheidene strijkkwartetten en andere kamermuziekwerken; verder 51 duetten voor viool, en 29 concerten voor viool, die tot op heden hun waarde behouden hebben. Door zijn leerlingen Rode en Baillot werd hij de grondlegger der Fransche school. Hij overleed den 3d™ Maart 1824 te Londen.

Virchow, Rudolf, een Duitsch geneeskundige en anthropoloog, geboren den 13den Öctober 1821 te Schivelbein in Pommeren, studeerde te Berlijn, werd in 1843 tweede geneesheer en in 1846 prosector aan de Charité en stichtte in 1847 met Reinhardt het „Archiv für pathologische Anatomie und Physiologie und für klinische Medizin", na het overlijden van zijn mederedacteur door hem alleen voortgezet. In 1847 vestigde hij zich aan de hoogescheol als privaatdocent, terwijl hij ijverig deel nam aan de staatkundige bewegingen van die dagen, waarom hij in 1859 ontslag ontving. In zijn „Einheitsbestrebungen in der wissenschaftlichen Medizin"(1849) gaf hij rekenschap van zijn gevoelens omtrent de beoefening der geneeskunde, en nadat hij in 1849 het hoogleeraarsambt in de pathologische anatomie te Würzburg had aanvaard, behoorde hij spoedig tot de voornaamste leeraren der zoogenaamde Würzburger School. In 1856 keerde hij als hoogleeraar terug naar de universiteit te Berlijn en maakte er het nieuw gebouwde pathologisch instituut tot een middelpunt van zelfstandig onderzoek. Hij legde de grondslagen van de cellulairpathologie en was op bijna elk gebied der anatomische pathologie met vrucht werkzaam. De leer van de ontstekingen, van de ziekelijke gezwellen, van de embolie en metastase, van de tuberculose, van de pyaemie en leuka^emie, van de diphtheritis enz. is door hem op nieuwe grondslagen gevestigd of verder ontwikkeld. Daarnaast ontwikkelde hij een krachtige werkzaamheid op politiek gebied. Hij behoorde tot de ijverigste leden van den „Nationalverein", werd in 1862 tot lid van het Pruisische Huis van Afgevaardigden gekozen en behoorde hier tot de stichters en leiders

Sluiten