Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was in de Middeleeuwen, blijkt, wanneer men op- : merkt, dat Dante in zijn „Divina Commedia" hem 1 tot leidsman kiest in de onderwereld, terwijl Tasso en Camoens het voorbeeld van Virgilius trachtten na 1 te volgen. Tot de merkwaardigste uitgaven der ge- < dichten van Virgilius behooren, behalve de „Editio princeps"(1479), die van Heyne (4 dln., 1867—1775; 4de druk door Wagner, 5 dln., 1810—1841) en van ; Ribbeek (2ae druk, 4 dln., 1894—1895). In ons land werden er geleverd door D. en N. Hemsius (1636 en 1664), Burmannus (4 dln., 1746), Ruaeus (2 dln., 1817) en Peerlkamp (2 dln., 1843). Van de Nederlandsche vertalingen noemen wij: „P. Virgilius Maroos wereken" (1646) van Vondel in proza, ,,P. \ irgilius Maroos Herderskouten en Landgedichten, mitsgaders de XII boeken van Aeneas"(1703) van L. Dcmcker, „De twaalf boeken van Aeneas (1583 en later) van Van Ghistele, „Proeve eener nieuwe overzetting van den Eneas"(4 stukken, 1804—1806) door P. van Winter en „De Aeneas van Virgilius"(5 stukken, 1809—1813) door W. C. Brinkman, weduwe C. van Streek.

Virgilius de Toovenaar is de door Middeleeuwsche sagen opgesierde figuur van den Romeinschen dichter Virgilius. Eenige raadselachtige plaatsen in zijn gedichten gaven reeds vroeg aanleiding tot het gevoelen, dat daarin een geheimzinnige wijsheid was opgesloten. Christelijke schrijvers, zooals Lactantius, Augustinus enz., wezen op het begin van de vierde der „Eclogae" en hielden het voor een voorspelling omtrent de komst van den Messias, zoodat Virgilius met de Sibylle en de Profeten des Ouden Testaments ingang vond in de liturgie der R. Katholieke Kerk. Daarmede stonden de „Sortes Virgilianae" in verband, een soort van voorspelling, waarbij men de eerste verzen van de, op goed geluk opengeslagen „Aeneis" als orakel aannam. Natuurlijk knoopten zich nu langzamerhand allerlei sagen aan zijn geboorteplaats en aan de plaatsen, waar hij vertoefd had, vast. In de 12ae eeuw schijnt voor het eerst te Napels de verandering van Virgilius tot toovenaar te hebben plaats gehad. De eerste sporen daarvan worden aangetroffen in den „Policraticus" (1159) van Jóhan van Salisbury, waarop Gervasius van Tilbury in zijn werk „Otia imperialia"(1211) reeds een grooter aantal sagen kon mededeelen. Een verdere uitbreiding daarvan leverden vooral de kronieken van Napels en Mantua, waarbij aan Virgilius steeds nieuwe trekken werden toegevoegd. Verzameld tot een geheel, komen deze sagen voor in het sedert het begin van de 16de eeuw herhaaldelijk herdrukte, Fransche volksboek „Faits merveilleux de Virgile"(nieuwe druk, Genève, 1867).

Virg-inia, een van de staten der N. Amerikaansche Unie, grenst in het O. aan den Atlantischen Oceaan, in het Z. aan N. Carolina en Tennessee, in het W. aan Kentucky en W.-Virginia en in het N. aan Maryland en telt op een oppervlakte van 109 940 v. km. (1900) 1 854 184 inwoners. Naar de gesteldheid van den bodem bestaat het land uit 3 verschillende gedeelten: vooreerst een laagland, dat zich ter weerszijden van de Chesapeakebaai uitstrekt en uit tertiaire en quartaire lagen (leem, zand en mergel) bestaat, waarin de breede aestuariën van den Potamac, den Rappahannock, den York, den James enz. doordringen en dat gedeeltelijk met moerassen bedekt is; in de tweede plaats een heuvelland van sterk verweerde, kristallijne ge¬

steenten en triaszandsteen, dat het midden van het land inneemt en waarin de rivieren talrijke stroomversnellingen en ondiepten gevormd hebben; eindelijk een bergland, doorsneden door een groot aantal, onderling evenwijdige ketens der Alleghanies (Blue Ridge, Iron Mountains, Massanutton Ridge enz.) en voornamelijk bestaande uit palaeozoïsche, gelaagde gesteenten (siluur, devon, steenkolen), waarin de dwarsdalen van den Potomac, James, Staunton en de New River zijn gelegen en de Stone- en de Cumberland Cap de voornaamste passen vormen. Dit bergland is rijk aan fraaie landschappen en natuurmerkwaardigheden; het bezit talrijke druipsteengrotten, benevens warme en koude minerale bronnen. De Potomac vormt de grens naar de zijde van Maryland. Zijn belangrijkste zijrivier is de Shenandoah. De Rappahannock, de York en de James storten zich uit in de Chesapeakebaai. Het klimaat is warm; in den winter komen echter perioden van gevoelige koude voor. Aan de kust treedt in den zomer malaria veelvuldig op. De bodem is langs de kust in het algemeen zandig en schraal en voornamelijk met pijnboomwouden bedekt. In de heuvelstreek bestaat de grond uit vruchtbare leem en klei, terwijl de dalen in het Z.W. een dankbaren, kalkhoudenden bodem hebben. Hickoryboomen, essche-, eike-, kastanje-, beuke- en ahornboomen en verschillende soorten van naaldboomen leveren uitmuntend timmerhout. Wild — ook beren, Virginische herten en wolven — is spaarzaam, terwijl de ratel- en mokassinslangen allerwegen voorkomen. Het land is rijk aan delfstoffen. In 1902 werden 2,9 millioen ton steenkool, 970 000 ton ijzererts, verder zink-, koper-, lood-, arsenicum- en mangaanerts, mergel, cement, lei, graniet, porseleinaarde en asbest gedolven.

De landbouw staat op een hoogen trap van ontwikkeling. In 1900 telde men in het land 167 886 boerderijen, waarop 45,3% der bevolking werkzaam is. Het voornaamste gewas is graan. Er werden 36 748 410 bushel maïs, 8 907 510 bushel tarwe en 3 269 430 bushel haver geoogst. Daarnaast moeten aardappels (4 409 672 bushel), bataten (4 470 602 bushel), tabak (122,9 millioen pond), katoen (5,2 millioen pond), appels en druiven genoemd worden. Bij Norfolk is ook de tuinbouw van veel belang. De veestapel bedroeg (1900): 326 616 paarden, 853 903 runderen, 695 614 schapen, 999 272 varkens en 51197 muilezels en ezels. De nijverheid telde in 1905 3187 ondernemingen met 80 285 arbeiders. De meeste beteekenis hebben de tabak- en sigarenfabrieken; daarna komen de zaagmolens, ijzergieterijen, ijzer-, staal- en machinefabrieken, korenmolens en katoenspinnerijen. De spoorwegen hebben een lengte van 6200 km. De handelsvloot telt 1502 zeeschepen met 57 179 ton inhoud.

Het onderwijs staat op een laag peil van ontwikkeling. Van alle personen, die 10 jaar of ouder war ren, konden (1902) van de blanken 8,2 %, van de kleurlingen 32,4 % lezen noch schrijven. De lagere scholen telden in 1905 361 772 leerlingen. Tot de inrichtingen voor onderwijs behooren een militaire school, 2 landbouw- en 2 ambachtsscholen, een school voor doofstommen en voor blinden. Hooger onderwijs wordt gegeven in een college voor kleurlingen en aan de hoogescholen te Charlottesville en te Lexington.

De eerste grondwet van Virginia dagteekent van 1776. In 1851 werd een nieuwe grondwet door het

Sluiten