Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staat (lan versch rundvleesch, wordt gebruikt bij het bereiden van cakes en komt ook als krachtvoeder in den handel.

Vischotter. Zie Otter.

Vischrivier, Groote, ook Aup geheeten, een rivier in Groot-Namaland, een zijrivier van de 0ranjerivier, ontspringt in het Awasgebergte en heeft een lengte van 6G0 km. Zij bevat slechts periodiek water.

Vischrivier, Groote, een rivier in het O. van Kaapland, ontspringt ten O. van den Kompaszberg op 31° 46' Z. Br. en mondt na een loop van 600 km. op 33° 30' Z. Br. bij Newcastle uit in den Indischen Oceaan. Zij heeft een lengte van 600 km. Tot haar belangrijkste zijrivieren behooren de Brack, de Tarka en de Kleine Vischrivier. Zij droogt geregeld uit tot een reeks van poelen, terwijl zij op andere tijden een diepte heeft van 10—16 m. bij een breedte van 100 m.

Vischsport is ongetwijfeld voortgekomen uit de behoefte van den mensch, om zich dierlijk voedsel te verschaffen, waarop het visschen voor zijn genoegen van zelf is gevolgd. Op sportgebied valt er tusschen visschen met netten en met den hengel te onderscheiden.

De sport-visscherij met netten bepaalt zich in hoofdzaak tot het vloeinet en de schakel, wordt echter als liefhebberij weinig uitgeoefend. Het vloeinet of warnet is gemaakt van zeer fijne katoen of zijde en zóó lang, dat de af te visschen sloot er in de breedte mee afgezet kan worden. Van zulke netten worden op een afstand van 20 tot 25 m. drie of vier in de sloot gezet. Dan wordt met een stok in het water gepolst, om de visschen op te jagen en deze raken met een vin of de kaak in het net verward. De schakel is een soortgelijk net, dat aan weerszijden bezet is met een ander ook wel ladder geheeten, van zeer groote mazen, die recht tegenover elkander slaan. De visch kan door die groote mazen heen, doch dan vormt zich van het biimen tamelijk loshangende vloeinet een zak, waarin de

grootste (lieren moeten blijven wachten tot ze er door den visscher uit verlost worden. In onze stroomen wordt ook wel met het grondelzegentje gevischt, een zegentje van omstreeks 15 m. lang en % m. hoog met een fijn gemaasden zak in het midden. Door twee man stroomaf over de ondiepe kiezelplaten der rivieren getrokken, levert het vaak een rijke vangst op.

Bij het peuren heeft het snoer aan het benedeneinde in plaats van een haak een zwaar stuk lood met tien a vijftien groote dauwwormen omhangen, waardoor draden zijn geregen. De paling, die een der wormen grijpt, blijft met zijn scherpe tanden achter het losse draadje hangen en is gevangen.

De hengelsport wordt uitgeoefend op stroom en in stilstaande wateren. Op stroom vischt men forellen, hoofdzakelijk in de Geul (Limburg), doorgaans met behulp van een kunstvlieg, die de hengelaar op het water doet drijven, ook wel met kunstvischjes en insekten. In de groote rivieren worden grondels met den hengel, waaraan een worm is bevestigd, gevangen. Daarbij wordt het snoer met lood bezwaard, evenals bij het visschen op berm, meun en paling, terwijl in de meeste andere gevallen een dobber of drijver aan het snoer gedaan en met een roode kers, brood of wormen, soms ook kleine vischjes, als aas gevischt wordt. In stilstaande

wateren wordt vooral op brasem, karper, snoek en hoofdzakelijk baars gehengeld. Er wordt ook wel gevischt met den Minkert, een glimmend stukje metaal, meestal in den vorm van een lepel, dat door het water gesleept wordt en den snoek of baars den indruk van een ziek of vluchtend vischje moet geven.

In zee wordt aan onze kusten eveneens gehengeld. Een flink sterk snoer, voorzien van een sterken haak en een grooten dobber, wordt in het water gebracht; als aas wordt een mossel gebruikt, die de daar legio rondzwemmende visschen aanlokt.

Vischteelt noemt men de opzettelijke bevruchting van vischeieren, door óf in speciaal daarvoor aangelegde paaivijvers geslachtsrijpe kuiters en hommers te laten paaien, óf door kunstmatig afgestreken kuit te mengen met afgestreken homvocht; het daarna uitbroeden der vissheieren in broedvijvers of bakken en het ten slotte bevorderen van den groei in groeivijvers. De vischteelt is reeds van zeer ouden datum; in China wordt hij sinds vele eeuwen toegepast. In Europa heeft zij in het midden van de 18ae eeuw practische toepassing gevonden door luitenant Jacobi te Hohenhausen (Lippe). Zij is daarop echter weer in vergetelheid geraakt, tot omstreeks 1823, waarna zij successievelijk in Bohemen, Schotland, Engeland en Frankrijk in toepassing kwam. In dit laatste land wist in 1848 de hoogleeraar Cosie&e belangstelling van den president op te wekken en had dit ten gevolge, dat in 1852 een vischkweekerij op groote schaal in Hüningen werd opgericht, die gratis de eieren leverde om de stroomen in Frankrijk weder met edele vischsoorten te bevolken. Na 1870 is deze kweekerij door Duitschland aanvankelijk in stand gehouden, maar voor het einde der 19e eeuw opgeheven. De meest uitgebreide toe¬

passing heelt de kunstmatige vischteelt eenter in Amerika gevonden; verschillende vischsoorten heeft men ook uit Amerika herwaarts en omgekeerd uit Europa in Amerika trachten te pooten, in het algemeen echter met weinig succes, alleen de karper schijnt in Amerika een uitzondering te maken.

In ons land heeft men zich tot voor korte jaren eigenlijk alleen op de teelt van zalmachtige visschen toegelegd, en wel aanvankelijk alleen op die van den eigenlijken zalm, om die aan de regeering te verkoopen ter loslating in de rivieren. Toen echter de regeering besloot de zalmen uitsluitend in Duitschland te doen uitbroeden en de vischjes in de beken aldaar los te laten, zijn die kweekerijen meest opgeheven en hebben slechts enkele zich kunnen handhaven, welke ook forelsoorten kweekten. Latere jaren is echter de Nederlandsclie Heidemaatschappij in de vischteelt gaan belang stellen; het door haar daarmede beoogde doel is tweeërlei: 1°. door het aanleggen van vischvijvers onvruchtbare gronden productief te maken, en 2°. door het poten van 1 of 2 jarige visschen in vischarme wateren den vischstand te verbeteren. Het eerste doel mag als geslaagd worden beschouwd, daar reeds niet onbelangrijke terreinen door haar als vijvers ingericht en door de eigenaren in exploitatie genomen zijn, van het tweede doel is het succes echter nog niet door de praktijk bewezen. In het algemeen is gebleken dat de kunstmatige vischteelt niet aan de hoog gespannen verwachtingen, die men aanvankelijk voor haar koesterde, heeft beantwoord. Intusschen kan de kunstmatige vischteelt ongetwijfeld in sommige gevallen goede diensten bewijzen, bijv. wanneer de natuurlijke teelt niet meer

Sluiten