Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogelijk is, zooals bij de zalm die in verschillende stroomen, door weeren of verontreinigd water zijn paaigebied niet meer kan bereiken. De nevenstaande plaat geeft afbeeldingen van de bij de kunstmatige teelt gebruikte toestellen en hulpmiddelen. De zg. kunstmatige bevruchting vindt plaats door met zachten druk over de buikzijde van den visch van den kop tot aan de anaalopening te strijken. Is de visch rijp, dan vloeien hom en kuit gemakkelijk uit. De eieren worden in een droge porseleinen schaal opgevangen; die van 2 è, 3 kuiters worden gemengd met het hom vocht van één hommer; daarna zacht (loorgeschud, en geleidelijk water toegevoegd waarbij de bevruchting plaats heeft. Dit is de zg. droge methode, die de voorkeur boven de vroeger gebruikelijke natte methode verdient, waarbij de eieren en hom in een bak met water werden opgevangen. In de op de plaat (fig. 2, 3, 4 en 6) afgebeelde verschillende systemen broedbakken, worden de eieren na de bevruchting bewaard; krachtige doorstrooming met zuiver, liefst gefiltreerd water, is noodzakelijk, en evenzoo dagelijksche verwijdering van de doode eieren. Ter vergemakkeling daarvan worden ook zg. zelfuitzoekende broedbakken toegepast (fig. 6 en 10) welke v.n. gebezigd worden voor kleine vischeieren als houting, elft, snoekeieren, enz. Voor de verzending van vischeieren worden goed geïsoleerde bakken gebezigd (zie fig. 7, 11, 12 en 13) waarin laden met een bodem van gaas, waarop de eieren in een enkele laag worden uitgespreid, en met bovenin ijs; het daarvan afdruppelende smeltwater houdt de eieren vochtig en koel, waardoor de ontwikkeling vertraagd wordt; zoodoende heeft men eieren van verschillende vischsoorten van het eene naar het andere werelddeel kunnen overzenden. In tegenstelling met de voren bedoelde inrichtingen, de eigenlijke vischbroederijen of vischkweekerijen, zijn al of niet daarmede verbonden, de wat men zou kunnen noemen „vischboerderijen," waar het jonge broed tot marktwaardige visschen wordt opgekweekt. Worden in de vischbroederijen dikwijls vele verschillende vischsoorten uitgebroed, die echter bijna alle spoedig na het uitkomen in het vrije water worden losgelaten of aan afnemers verkocht, voor cultuur in de vischbroederijen komen slechts enkele soorten in aanmerking en wel hoofdzakelijk eenige forelsoorten, de karper en de zeelt. Voor de eerste zijn in het algemeen diepe vijvers met krachtige doorstrooming noodig, waarin het water niet te warm wordt, voor de karpers en zeelt dienen ondiepe vijvers, waarvan het water bij voorkeur juist een hooge temperatuur moet verkrijgen. De forelsoorten zijn zoo goed als uitsluitend op kunstmatige voeding aangewezen, de karperachtige echter uitsluitend, of voor een groot deel op natuurlijke voeding. De ontwikkeling daarvan tracht men door verschillende middelen te bevorderen, waarvoor het droog leggen in het najaar en mesten van de vijvers in het algemeen bevorderlijk is. Dikwijls, zooals in verschillende groote vischboerderijen (Teichwirtschaften) in Duitschland, wordt als het ware wisselbouw gedreven, in zooverre dat de vijvers het eene jaar, of wel twee jaar achtereen, onder water staan en het volgende jaar voor den landbouw worden gebezigd. De kunstmatige voeding van de karpers, indien deze wordt toegepast, kan alleen als bijvoeding dienen; veelal worden maïs of lupinen gebezigd. Een productie van 100 K.G. karpervleesch

per jaar per H.A. wordt als gunstig beschouwd. Eigenaardig is, dat bij den karper, wel de voornaamste vischsoort die gekweekt wordt, geen eigenlijke kunstmatige teelt plaats heeft; men bezigt kleine vijvers, waarin korten tijd vóór de visch er in gebracht wordt, water wordt toegelaten; is de temperatuur gunstig, dan worden enkele visschen er in gebracht, 2 kuiters op een hommer, die gemeenlijk spoedig daarna paaien en dan weder er uit genomen worden. Bij gunstig weder wemelt het binnen enkele dagen van broed, dat, wanneer na eenige dagen de dooierzak is verbruikt, in grootere vijvers met veel natuurlijk voedsel, worden overgebracht.

Behalve voor zoetwatervisch wordt ook op zeevisch kunstmatige teelt toegepast, echter slechts weinig; nl. op enkele plaatsen langs de Engelsche en de Schotsche kust en te Flöddevig in Noorwegen. Bij de groote vruchtbaarheid van de zeevisch, zijn echter de aantallen die de natuur oplevert zoo reusachtig veel grooter dan die, welke door de kunstmatige teelt kunnen worden verkregen, dat men in het algemeen deze teelt voor de zeevisch van weinig beteekenis acht. Dit is voor een deel ook het gevolg van de omstandigheid, dat de larven van zeevisschen na het uitkomen dadelijk losgelaten moeten worden, daar zij niet opgekweekt kunnen worden.

Vischtuigen (zie de platen) zijn de werktuigen, dienende tot het vangen van visch; men kan ze verdeelen in eigenlijke vischnetten en in vischtuigen in engeren zin, als hoekwant, korven en de steekwerktuigen, als harpoenen en elgers, welke laatste werktuigen echter veelal tot de ongeoorloofde behooren voor de eigenlijke vischvangst. Vele vischtuigen berusten op de eigenschap van den visch, dat deze in een ovaal rondgeleid, de aan het einde daarvan zich bevindende opening niet bemerkt.

De voornaamste vischtuigen bij onze Zeeviss ch er ij in gebruik zijn de navolgende:

le. de Ottertrawl, treil of schrobnet (zie fig. 1 en 2, plaat I) omstreeks 1890 in Engeland in gebruik gekomen. Deze bestaat uit een vanhennep of manilla vervaardigd groot zakvormig net, waarvan deinrichting en wijze van gebruik uit de afbeeldingen blijkt. De z. g. scheerborden aan weerszijden van het net scheeren bij het voortbewegen van het vaartuig uiteen en houden zoodoende het net open. Dit net wordt op onzebekende IJmuiderstoomtrawlvlootgebezigd. (Zie Visschersvaartuigen). Halfweg in het net bevindt zich een driehoekig stuk net, alleen aan de voorzijde bevestigd, dat, evenals de keel in de fuiken, het terugzwemmen van den visch belet (zie /, g, h, fig. 2).

2. de Boomtrawl (zie fig. 3, plaat II) komt in hoofdzaak overeen met de ottertrawl, behoudens dat het net kleiner is en niet door scheerborden, maar door een grooten boom, ongeveer 15 m. lang, wordt opengehouden. Aan de einden daarvan bevinden zich twee groote ijzeren beugels, de z. g. trawlhoofden, die over den bodem sleepen. (zie fig.4, plaat I). In de laatste jaren wordt de boomtrawl (ook wel Engelsche kor geheeten), die, na de invoering van de ottertrawl, alleen nog op zeilvaartuigen werd gebezigd, ook daar meer en meer door de ottertrawl vervangen. De kleine zeilvisschersvaartuigen die op de kust visschen, gebruiken een boomtrawl maar van kleinere afmetingen en met een ander trawlhoofd, de z.g. Hollandsche kor, waarvan de boom slechts om-

Sluiten