Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(van 20—40 m.) en lioogte (0.60—0.75m.). Op de meren worden dikwijls een groot aantal dezer netten, aan elkander bevestigd, in een kring of zig-zagsgewijze uitgezet. Onder de staande netten valt ook nog te noemen de welbekende schakel (zie fig. 17, plaat IV) in Zeeland wargaren, in Overijsel klevergaren, loargaren, vxdnet of pooknel,in Limburg kleefgaren, in Groningen en Drente polsnel, treemke of warnet genoemd, lang 10—12 m., hoog ongeveer 1— 1.20 m. In bet bijzonder dienen zij voor de vangst van snoek, waartoe eenige dezer netten door middel van de roljer (fig. 18, plaat VI) buiten of tusschen den rietzoom langs de oevers worden uitgezet, zoodanig dat de uiteinden tegen den wal komen; door polsen met den roljer wordt de zich in het afgesloten gedeelte bevindende visch in het net gejaagd. De schakel wordt ook wel op de gewone wijze als staand net gebezigd (slaande schakel) en soms voor de visscherij in diepere waterlagen (zinkschakel).

8. Zegens, in Friesland sein, in Overijsel en Drente treknet, in Limburg sahinne — n.1. de voor de elftvangst gebezigde zegen — (zie fig. 19 en 20, plaat IV) zijn enkelwandige netten, waarmede de visch omsingeld wordt, waarna het net in den regel tegen den wal wordt opgehaald. Zij hebben daartoe uiteraard een groote lengte, dikwijls van 100 m. en meer. Bijzondere zalm- of elftzegens worden gebruikt, voor de vangst van deze vischsoorten. Deze worden dikwijls door middel van stoom-machines ingehaald (zie bij Nederland, Vischvangst, Zalmvisscherij).

9. Drijfnetten of vlouwen zijn netten, welke op de rivieren, voornamelijk voor de vangst van zalm, elft, fint, steur en houting dienen. Zij komen overeen met de onder no. 7 beschreven staande netten, maar zij blijven niet als deze staan op de plaats waar zij zijn uitgezet, maar worden dwars over den stroom uitgeroeid en drijven dan met den stroom af. Het net drijft daarbij vooroverhellend over den rivierbodem, waardoor de tegen den stroom opzwemmende visch wordt gekeerd en gevangen.

10. Schutwant is een net van groote lengte, gesteund door stokken, waarmede bij ebbe droogvallende oevers en platen worden afgezet; de met de eb afkomende visch wordt daardoor tegengehouden en deze verzamelt zich bij laag water voor het net. Bij de schutwant-visscherij op witvisch (Zuidhollandsche benedenrivieren en Hollandsch diep) worden hooge netten gebezigd, bij die op bot in de Zuidhollandsche en Zeeuwsche stroomen lage netten; bij de eerste worden dikwijls nog fuiken en een zegen gebezigd om den visch te verzamelen. Fig. 21, plaat IV, geeft een afbeelding van een schutnet, zooals dat is gezet, fig. 22, plaat IV, van de uiteinden van een bot- en van een witvisch-schutnet.

11. Schrobnet of schrobbe, wadnet, wad of wade, (zie fig. 23, plaat IV) is een kort net tusschen twee stokken bevestigd, waarmede in slooten en vaarten wordt gevischt; in eenigszins breede wateren loopt aan iedere zijde een man langs den oever, in smallere wateren wordt ermede van uit een boot gevischt, dikwijls door één man. Na eenigen tijd door het water getrokken te zijn, wordt het gelicht, waarbij de ondersim het eerst boven water komt, de visch blijft dan in den zak, dien het net door zijn ruimte vormt, achter. Eenigszins afwijkend van vorm, maar in gebruik met dit net overeenstemmend, is de in Zeeland gebruikelijke gigo.

12. Praam- of prangnet is een net met het in het

vorige no. beschreven overeenkomend; de beide stokken zijn echter van boven kruiselings over elkaar bevestigd zoodat zij een V vormen. Daarmede wordt in de Zeeuwsche stroomen op bot gevischt.

13. Fuiken zijn lange, ronde netten, naar achtergeleidelijk nauwer wordende, welke door hoepels gespannen worden gehouden; door z.g. inkeelingen (plaatselijke vernauwingen) bij een of meer hoepels wordt de in de fuik gezwommen visch belet te ontsnappen. Fuiken zijn wel de meest algemeen toegepaste vischtuigen. Al naar gelang de vischsoort waarop wordt gevischt, hebben zij wijdere of nauwere hoepels, zijn zij langer of korter, en hebben zij een of meer vleugels; dat zijn vlakke stukken net aan den eersten hoepel bevestigd, die uitgespannen worden om den visch naar de fuik te geleiden. Aalfuiken zijn de kleinste en meest nauwmazige fuiken met geen grootere hoepelwijdte dan ± 50 è, 60 cm. (zie fig. 24 en 25); haringfuiken, op de Zuiderzee gebezigd, en zalm en elftfuiken zijn wel de grootste fuiken in gebruik, zij hebben een hoepelwijdte van omstreeks lVam- De sluis-, en henfuik, molenzak,aalzak en tjoel worden meestal gebezigd om sluizen en waterloopen af te zetten, voor de vangst van de afzwemmende paling; de opening heeft voor dat doel een bijzonderen vorm. Trommels (zie fig. 26) zijn fuiken zonder vleugels en een opening aan elk einde; zij dienen meer in het bijzonder voor de vangst van zeelt. Kubben of kobben, zijn kleine fuikjes zonder vleugels, zeer nauwmazig, die geaasd worden voor de vangst van aal; ook het losse achtergedeelte van de aalfuiken wordt Kubbe genoemd.

14. Korven (palingkorven, prikkorven of prikke Men; zie fig. 27 en 28) berusten op hetzelfde beginsel als fuiken, maar hebben, in verband met het materiaal waarvan zij vervaardigd worden (teenen), een eenigszins afwijkenden vorm. Zij worden uitsluitend voor de vangst van aal en prikken gebezigd, die zich over dag bij voorkeur in donkere ruimten verbergen. In Zeeland heet de aalkorf ook welie of willig.

15. Werpnet (zie fig. 29), is een rond net, aan den buitenrand met lood bezwaard, dat door een handigen zwaai van den visscher vlak uitgespreid wordt over het water en op den bodem neerzinkt. Bij het ophalen zinken de kogels naar elkaar toe en worden de zich daaronder bevindende visschen als in een zak gevangen. Eenigszinsgewijzigdingericht, worden deze netten ook gebezigd, door deze van uit een boot plotseling te laten zakken. Een andere variatie is de Geel, een groot soort werpnet, dat echter door zijn afmetingen niet met de hand uitgeworpen kan worden, maar dat van uit een boot over het water uitgespreid wordt; in de LimburgscheMaas wordt daarmede voornamelijk gevischt.

16. De Gebbe, kreu, schephaven, schepwagen, steekhaam of slaghamer, is een soort schepnet maar zeer groot, in den regel voor de vangst van voor aas benoodigde, kleine vischjes gebezigd. Eenigszins afwijkend van vorm en gebruik is de bos- of overhaam uit Limburg.

17. Het Kruisnet of totebel (fig. 30) dient in de binnenwateren meest voor de vangst van aal en aasvisch, ook wel voor die van karper, en op de rivieren voor de vangst van alver en fint.

Als hoekwant zijn te noemen;

18. De Fleur of zetangel, zie fig. 31 a en b, dienende inzonderheid voor de vangst van snoek; zij wordt met levende vischjes geaasd, de lijn is op een zooge-

Sluiten