Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naamde mik gebonden, (a)zoodat zij gemakkelijk kan afloopen als de visch heeft gebeten. (6)

19. De Dóbber (fig. 32), (niet te venvarren met het gelijknamige onderdeel van het hengelsnoer), voor de vangst van aal.

20. De Zetlijn of stek (fig. 33) met levend of dood aas voor de vangst van baars en paling.

21. De Aalreep, (fig. 34) een lange lijn op de wijze van een beug, geaasd met doode vischjes of wormen, waarmede ook dikwijls baars gevangen wordt. In Overijsel wordt wel een korte lijn met zijlijntjes met geaasde hoeken gebezigd, onder den naam werplijn.

22. De Hengelvisclituigen, als: de gewone hengel (fig. 35), de topgaarde. (fig. 36), waarbij de lijn op een onder aan de roede zich bevindend klosje kan worden opgewonden; de loop- of sleephengel (lepeltje) (fig. 37) een hengel voorzien van een lepelvormig blinkend stuk metaal, van hoeken voorzien, dat bij het door het water sleepen snel ronddraait, daardoor op een door het water schietend vischje gelijkt waarop snoek of baars afschieten; de forelhengel, voorzien van een veertje, dat op het waterdrijftenkunstigden vorm van een vlieg nabootst waarop de forel aast.

23. Een op zich zelf staand vischtuig vormt de peur, poer of pooier (Utrecht), (zie fig. 38), die geaasd is met een tros aan elkaar geregen wormen; voor dat rijgen wordt een wollen draad genomen, waarin de aal door haar fijne tanden blijft vastzitten.

24. Als steekvischtuigen zijn te noemen de harpoen en de aal- of palingscliaar (in Groningen tuuk genaamd; fig. 39), botschaar, enz. De elger, in de Zuiderzee gebezigd, is een soort aalschaar, welke niet in den bodem wordt gestoken, maar, aan een zeilend vaartuig bevestigd, door den bodem gesleept wordt; de tanden zijn veel smaller dan bij de aalschaar, en talrijker, zoodat hij op een hark gelijkt. Tusschen de tanden wordt de zich in winterslaap bevindende aal geklemd en uit den bodem gerukt. Daar deze vischtuigen den visch zeer beschadigen, en bovendien vele visschen stukgescheurd en vernield worden, zonder dat zij gevangen worden, zijn zij meest overal verboden.

26. De hoek of vischhoek is ten slotte nog als het meest klassieke vischtuig te noemen; de meest bekende vorm is die gebruikelijk aan den hengel met een weerhaak; voorts worden hoeken gebezigd aan de beug en de kol voor de schelvisch- en kabeljauwvisscherij (zie hiervoor),de beug voor de bot- en de aalvangst (voor de laatste ook aalreep genoemd), fleuren, dobbers enz. In sommige gedeelten van het land worden aan de botbeug nog koperen hoeken zonder weerhaken gebezigd.

26. De Kor is het voor de mossel- en oestervisscherij gebruikelijke vischtuig, bestaande uit een driehoekig ijzeren raamwerk; één zijde daarvan, ter lengte van omstreeks één meter, is netvormig; het wordt door een zeilend of stoomend vaartuig over den bodem gesleept; het mes schraapt de schelpdieren van den bodem af, die dan in den daar achter zich bevindenden zak vallen. Deze is aan de onderzijde van ijzeren schalmen vervaardigd. In de Zuiderzee dient voor de alikri iken-vangst een kor van een van de afbeelding eenigszins afwijkenden vorm.

27. De slagrijf is een ander, voor de mosselvisscherij in Zeeland algemeen gebruikt, vischtuig; het bestaat uit een groote hark met lange ijzeren tanden; aan de bovenzijde is een beugel bevestigd,

voorzien van netwerk. Het wordt van af een geankerd vaartuig gebezigd; de mosselen worden bijeengeharkt, daarna op de tanden van de rijf loodrecht omhoog gehaald; boven komende, wordt zij een slag gedraaid, de steel tegen het boord van het vaartuig gesteund en daarna achterovergedrukt, zoodat de mosselen in het netwerk vallen, en daarna binnen boord gestort worden. Voor de kokhanen-visscherij in het N. deel der Zuiderzee wordt een soortgelijk vischtuig gebezigd, alleen is hetnet dieper en vischt men er mede te voet.

28. Palingkas is een van latten vervaardigd toestel, dat uitsluitend in de toevoerkanalen naar watermolens wordt geplaatst om de afkomende paling op te vangen. De dunne paling valt tusschen de latten door weer in het water terug.

Visch vergift. Zie Vischvergiftiging.

Vischverg-iftig-ing- noemt men de ziekteverschijnselen, die soms na het gebruik van visch ontstaan. De oorzaak daarvan is niet altijd dezelfde. Soms worden zij veroorzaakt door het zoogenaamde vischvergijt, eenmethetworstvergiftovereenkomende stof, die door bacteriën, welke in bedorven vischvleesch woekeren, gevormd wordt. Zieke visschen bevatten dikwi jls toxine en toxalbumine, die bij den mensch giftig werken. Vischvergiftigingen met choleraachtige brakingen en diarrhee heeft men vooral na het gebruik van schelvisch, haring, gerookte bot, steur, stokvisch, brasem en snoek waargenomen, vergiftigingen met jeukenden huiduitslag, koorts, duizelingen en hoofdpijn na het gebruik van horsmakreel en tonijn, zenuwstoringen en verlammingen na het eten van steur en blei. In Zuid-feusland treden dikwijls vergiftigingen op groote schaal op door het eten van slecht geconserveerden visch. De behandeling bestaat voornamelijk in het verwijderen van den maaginhoud. Vetrijke visch is zwaar te verteren en veroorzaakt soms buikloop, onpasselijkheid en brakingen. Sommige organen van bepaalde visschen zijn in den paaitijd giftig, inzonderheid de kuit. Van enkele dieren zijn lever, maag, darm of bloed vergiftig. Vele visschen bezitten giftklieren in de huid of in den bek, hun vleesch is volkomen onschadelijk.

Visconti is de naam van een bekend geslacht uit Lombardije. De naam, in het Latijn vicecomites, beteekent plaatsvervangend graaf, een ambt, dat de stamvaders van dit geslacht waarschijnlijk hebben bekleed. In de llde eeuw worden zij reeds vermeld. De eerste, die meer op den voorgrond treedt, is Otto die in 1111 bij een opstand van de Romeinen koning Hendrik V uit de gevangenschap redde, doch zelf in handen van den vijanden viel en door hen gedood werd. Van hem stamt Tébaldo de Visconti af, die in 1271 als Gregorius X de pauselijke kroon ontving. Van een anderen tak van de familie stamt Otto af, geboren in 1208 te Ugogne, die in 1263 aartsbisschop van Milaan werd. Toen Martino della Torre hem verbood, in Milaan te verschijnen, verzamelde hij alle Ghibellijnen en maakte zich meester van Arona. Eerst in 1277 kreeg hij de overhand op het geslacht della Torre en ontving de macht over Milaan. Hij liet in 1295 de heerschappij over Milaan achter aan zijn neef Matteo Visconti; deze bracht nog verschillende andere steden onder zijn gezag en benoemde in 1294 Adolf van Nassau tot rijksvicaris,, werd in 1302 verjaagd, maar keerde in 1311 terug en overleed beladen met den kerkelijken ban, in 1322.

Sluiten