Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn zoon en opvolger Galeazzo, geboren den 21sten Januari 1277, werd in 1313 door den keizer tot vicaris van Piacenza benoemd, maar in 1327 door Lodewijk den Beier in het slot te Monza gevangen gezet. Hij herkreeg wel is waar in 1328 door tusschenkomst van de aanvoerders der Ghibellijnen zijn vrijheid, maar overleed kort daarna. Zijn zoon Azzo, geboren in 1302, werd in 1328 tegen betaling van 60 000 florijnen door Lodewijk den Beier tot rijksvicaris te Milaan benoemd en maakte zich langzamerhand meester van geheel Lombardije. Daar hij geen kinderen naliet, werd hij in 1338 opgevolgd door zijn oom Lucchio, derden zoon van Mateo Fisconti en geboren omstreeks het jaar 1287; deze bevestigde met bloedige gestrengheid zijn heerschappij te Milaan en breidde de macht van zijn Iluis tevens uit over Piémont en over de Lunigiana, hij bevorderde de wetenschappen en hield briefwisseling met Petrarca. Hij overleed den 248ten Januari

1349. z.ijn broeder uiovanni, sedert 1342 aartsbisschop van Milaan, regeerde met meer zachtheid en verkreeg door aankoop Bologna en in 1353 de heerschappij over Genua. Ook hij was een groot voorstander der wetenschappen, een bewonderaar van Dante en een begunstiger van Petrarca. Hij overleed den 5aen October 1354, werd opgevolgd door zijn

drie neven Malteo ll, rnrnabo en Ualeazzo 11, die gemeenschappelijk heerschappij voerden over Milaan en Genua en de overige bezittingen onderling verdeelden. Galeazzo verkreeg Como, Novara, Vercelli, Asti, Tortona en Alessandria en deelde na den dood van Matteo (1355) diens bezittingen (Bologna, Parma, Piacenza, Lodi) met zijn broeder Bernabo, die Cremona, Crema, Brescia en Bergamo ontving. De rijkdom en de macht van dit Huls wekten veler nijd, en de naburen vereenigden zich tot een grooten bond tegen de Visconti's. In het binnenland deden drukkende belastingen en een gestreng bestuur bij herhaling oproer ontstaan. Weldra gingen Bologna en Genua voor de beide broeders verloren. Daarentegen verdedigden zij met goed gevolg hun overige bezittingen en handhaafden bij den vrede van 1364 hun gezag. Galeazzo, die ten laatste zijn zetel naar Pavia verlegd had, overleed in 1378.

Hij werd opgevolgd door zijn zoon Gian-galeazzo, graaf van Virtu, gehuwd met de Fransche koningsdochter Isabella van Valois. Door de Milaneezen aangezocht, het bewind te aanvaarden, deed hij zijn oom Bernabo, die zich door zijn verkwisting en wreedheid gehaat had gemaakt, in 1385 met zijn beide zonen in hechtenis nemen, zoodat de bezittingen der ViscmtVs weder in een hand vereenigd waren. Met hem bereikte het geslacht Visconti zijn grootsten bloei. Hij ontving voor een som gelds verlof van Keizer Wenzel, den titel te voeren van hertog van Milaan, verwierf Pisa, Siena, Padua Perugia, en Bologna en was zelfs voornemens, den titel koning van Italië aan te nemen, wat echter Florence en Venetië door gedurige oorlogen zochten te beletten. Hij bevorderde de wetenschappen, noodigde beroemde mannen aan zijn hof, herstelde de universiteit te Piacenza, begiftigde die te Pavia en legde de grondslagen voor grootsche gebouwen, bijv. voor den Dom te Milaan, voor de Certosabij Pavia en voor de brug over den Tessino bij laatstgenoemde stad.

Zijn beide wettige zonen Gian Maria en Filippo Maria en een onwettige zoon Gdbriele verdeelden na

zijn dood (1402) zijn landen, doch daar zij nog minderjarig waren, werd de hertogin-weduwe regentes. Er ontstonden hevige burgertwisten, gedurende welke de hertogin overleed (1404). Gdbriele werd in 1408 te Genua ter dood gebracht, Gian Maria, die zich door tallooze wreedheden gehaat maakte, werd den 16del1 Mei 1412 door samenzweerders eveneens ter dood gebracht. Zijn broeder Filippo Maria, geboren in 1391, had na den dood van zijn vader Pavia en omstreken verkregen, maar stelde zich nu ook in het bezit van de landen van zijn broeder en veroverde met behulp van zijn veldheer Frans van Canmgnola geheel Lombardije. Hij overleed in 1447 te Pesaro zonder mannelijke nakomelingen na te laten, zoodat zijn heerschappij ten deel viel aan Frans S/orza, den gemaal van zijn onwettige dochter Bianca. Verschillende zijlijnen van dit geslacht bestaan nog.

Visconti, Ennio Quirino, een Italiaansch oudheidkundige, geboren te Rome den l8ten November 1751, was de zoon van Giambattista Antonio Visconti (geboren in 1712, f 1784), prefect der oudheden te Rome. Hij studeerde in de rechten en werd door den paus benoemd tot buitengewoon kamerheer en onderbibliothecaris van het Vaticaan en na het voleindigen van het tweede deel van het door zijn vader begonnen „Museo Pio-Clementino" (7 dln. 1782—1807) tot conservator van het Museum Capitolinum. Bij de eerste bezetting van Rome door de Franschen aanvaardde hij in het nieuwe Voorloopig Bewind de portefeuille van Binnenlandsche Zaken en werd in 1798 consul. Bii het naderen van

het Napolitaansche leger in 1799 vertrok hij naar Parijs, waar hij tot opziener der kunstverzamelingen van het Louvre en conservator der oudheden, alsmede tot hoogleeraar in de archaeologie werd benoemd. In die betrekking gaf hij van 1801—1803 een uitmuntenden catalogus van de kunstschatten van gemeld museum in het licht. Daarop volgden; „Iconographie grecque" (3 dln., met atlas, 1811) en „Iconographie romaine" (4 dln., met atlas, 1817 —1829, dl. 2—4 van Mognez), welke werken hij op aansporing van Napoleon 1 schreef, die hem daartoe ook de middelen verschafte. In 1817 begaf hij zich naar Engeland, om de standbeelden, door lord Elgin uit de puinhoopen van het Parthenon opgedolven, te bezichtigen en schreef daarna: „Mémoire sur les ouvrages de sculpture du Parthénon" (1818). Hij overleed den 7den Februari 1818 te Parijs. Een uitgave van zijn gezamenlijke werken werd bezorgd door Labus. (2 dln., 1818—1822). Ook zijn beide broeders Filippo Aureliano (f 1&S1) en Alessandro (t 1835) hebben zich als oudheidkundigen ver¬

dienstelijk gemaakt.

Visconti-Venosta, Emilio, markies, een Italiaansch staatsman, geboren te Milaan den 22stel Januari 1829, werd journalist, was eerst een aanhanger van Mazzini, sloot zich in 1853 bij Cavour aan en werd in 1859 door dezen tot commissaris bij Garibaldi benoemd. Vervolgens werd hij aan den dictator Farini in Parma en Modena toegevoegd, waar hij de vereeniging van deze landen met Sardinië bevorderde, vergezelde in 1860 markies Pepoli naar Parijs en Londen, werd daarna adjunct van den tot stadhouder van Napels benoemden minister Farini voor buitenlandsche aangelegenheden, vervolgens secretaris-generaal in het ministerie van Buitenlandsche Zaken en werd in Mei 1863 met de porte-

Sluiten