Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke de lichaamsholte bevat met spijsverteringsen voortplantingsorganen, is van voren stijf, wordt verder naar achteren buigzamer, terwijl het staartgedeelte beweeglijk is en als zwemorgaan de belangrijkste beteekenis heeft. De vinnen dienen niet zoozeer voor de voortbeweging, als wel om aan het lichaam een bepaalden stand en richting te geven. De gepaarde vinnen, borst- en buikvinnen, zijn te vergelijken met de ledematen der overige gewervelde dieren.

De meeste visschen hebben zoowel een uitwendig, of huidskelet (schubben), als een inwendig skelet (geraamte), dat kraakbeenig of beenig kan zijn.

Aan het kopskelet onderscheidt men den uit verschillende beenderen bestaanden schedel, welke de zeer kleine hersenen bevat, een bovenkaak, en een onderkaak. De kaakbeenderen zijn in den regel door middel van tusschenliggende beenderen bewegelijk met den schedel verbonden. Achter den tongbeenboog volgen de kieuwbogen, in den regel 5 paar, welke de kieuwen steunen en in de keelstreek samenkomen. Het kieuwdeksel bestaat in den regel uit een 4-tal platte beenstukken, waarvan het voorste bewegelijk met den schedel verbonden is. De wervelkolom bestaat uit een zeer uiteenloopend aantal wervels, waarvan de voorste met den schedel is verbonden, de achterste wervels met den staart zijn vergroeid. Onder de doornvormige uitsteeksels loopt een kanaal, waarin het ruggemerg is opgesloten. In het staartgedeelte komen ook aan de onderzijde der wervellichamen zulke uitsteeksels voor, die op gelijke wijze de slagaderen en de hoofdaderen van den staart omsluiten; deze laatstenloopenverder onder langs de wervelkolom. De voorste wervels dragen aan de onderzijde elk een paar ribben, welke vrij in het lichaam eindigen. Hetgeraamtevandeledematen bestaat uit den schoudergordel, en het bekken, een plat been of kraakbeen, dat niet met het overige skelet verbonden is. De vinnen bestaan uit eenige korte beenstukjes, waarop de vinstralen gezeten zijn. Het uitwendige skelet (schubben) wordt in de huid gevonden. De huid der visschen bestaat uit een opperhuid, waarin zich talrijke slijmklieren bevinden en een lederhuid. In de lederhuid ontstaan de schubben, welk men, naar vorm en samenstelling verdeelt in kring-, kam-, borstel-, glans- en plaatschubben (cycloide, ctenoïde, syarcUde, ganoïde en placoïde schubben). Aan de oppervlakte der schubben vindt men een aantal concentrische ringen om het „primitiefveld", welke te vergelijken zijn bij de jaarringen der boomen. Door deze ringen te tellen, kan men dikwijls vrij nauwkeurig den leeftijd der visschen bepalen; in andere gevallen bedient men zich echter hiertoe toch liever van de jaarringen op de gehoorsteentjes (otholiten) of van bepaalde beenderen.

Een eigenaardigheid bij vele soorten van visschen is het bezit van chromatophoren, (zie aldaar), waardoor zij het vermogen bezitten in zeer korten tijd van kleur te veranderen. Het voornaamste bewegingsorgaan zijn de twee zijdelingsche rompspieren, welke van voren aan den schedel, van achteren aan den staart bevestigd zijn en zich ter weerszijden van de wervelkolom bevinden. Uit de hersenen ontspringen 3 paar zintuigzenuwen: resp. de reuk-, de gezichts- en de gehoorzenuwen. Behalve deze ontspringen uit de hersenen nog 7 paren zenuwen, welke hoofdzakelijk gaan naar de kaken, het kieuwapparaat en de spieren van het oog. Het laatste paar ver¬

takt zich ver in het lichaam en wordt de „zwervende zenuw" genoemd. Een der hoofdvertakkingen hiervan loopt onder de z. g. zijdestreep, welke voor de visschen een geheel andere beteekenis heeft, dan men tot voor korten tijd meende. Van meer belang toch is deze gevoelige zijdestreep als ontvangster van verschillende prikkels, dan wel als plaats waar zich vele slijmklieren bevinden. De ruggemergszenuwen ontspringen twee aan twee tusschen de doornuitsteeksels der wervels en vertakken zich door het geheele lichaam. De oogen zijn bij de meeste visschen goed ontwikkeld en komen in anatomische samenstelling in hoofdzaak overeen met die van hooger ontwikkelde dieren. Het gehoororgaan is geheel binnen den schedel besloten en is uiterst teer bewerktuigd. Waarschijnlijk ter versterking der prikkels dienen de z. g. gehoorsteentjes (otholiten), welke in verschillende vormen worden aangetroffen. Het reukorgaan is bij bijna alle visschen vóór in den kop boven de mondholte gelegen. Doordien bij vele visschen de neusgaten door een huidplooi in tweeën zijn verdeeld, lijkt het of ze 4 neusgaten hebben. De ademhaling geschiedt bij de visschen door kieuwen (zie daarvoor bij Kieuwen). Het bloed stroomt voortdurend de kieuwen in en uit. De hiertoe benoodigde stuwkracht wordt ontwikkeld door het hart, dat ter hoogte van de keelstreek gelegen is. Het hart van de visschen bestaat uit een boezem en een kamer, welke gescheiden zijn door kleppen. De kamer is dikwandig de boezem dunwandig. Langs fijne haarvaten, die zich vereenigen tot aderen en eindelijk tot enkele hoofdaderen, wordt het naar den boezem gevoerd, welke het op zijn beurt weer uitstort in de kamer. Behalve in de kieuwen wordt het bloed ook gezuiverd in de nieren. Dit zijn donker bruinrood gekleurde organen, die aan de rugzijde van de lichaamsholte tegen de wervelkolom gelegen zijn en zich soms van achteren tot zeer ver naar voren uitstrekken. De afgescheiden urine wordt door de urineleiders meestal in een blaas verzameld, van waaruit ze door een in den regel zeer kort kanaal veelal achter de anale opening of in de kloake wordt geloosd.

Tot de spijsverteringsorganen behooren de bek, die in den regel is voorzien van tanden en van een niet bewegelijke tong, de wijde slokdarm, welke dikwijls inwendig met spitse, naar achteren gerichte plooien bezet is; de maag, welke u-vormig of dikwijls y-vormig (blindzakvormig) is, de middeldarm, meestal door een vernauwing of portier van de maag gescheiden en de steeds korte einddarm, welke in de anaalopening uitmondt. De bouw van het darmkanaal is overigens nog al verschillend. Vooral eijgenaardig is bij vele visschen de spiraaldarm, d. L de schroefvormig opgerolde plooi, waarin de binnenwand van den midden darm vervormd is. Eigenaardig is ook bij vele visschen het bezit van een grooter of kleiner aantal blindzakken, ter hoogte van het portier, de z. g. portieraanhangsels, van welke organen nog niet met zekerheid bekend is, welke functies zij verrichten. De lever en alvleeschklier, welke zeer verschillend van grootte en gedaante zijn, worden beide ter hoogte van de maag gevonden. Hunne afvoerbuizen monden dicht bij elkaar voor in den middendarm uit. Een zeer eigenaardig orgaan is de zwemblaas, een vliezige, met lucht gemlde zak, van zeer uiteenloopenden vorm, gelegen tusschen het darmkanaal en de wervelkolom en die bij een groot aantal visschen niet voorkomt. De juiste beteekenis

Sluiten