Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De meeste visschen verkeeren in zee, doch vele kannen zoowel in rivier- als in zeewater leven. Sommige groepen, zooals de Plagiostomen, bevinden zich doorgaans in zee, andere steeds in zoet water, maar vele soorten wisselen geregeld en vooral in den rijtijd van verblijf. Sommige bewonen onderaardsche wateren en zijn dan blind. Buiten het water sterven de visschen na korten tijd, en wel te spoediger, naar mate de kieuwspleet wijder is. Soorten, die buiten het water lang in leven blijven, hebben tusschen de beenderen van den kop cellen, of organen aie tot bewaarplaatsen van water dienen (zie bij Labyrintvisschen).

Van de 12 000 bekende soorten van visschen leven ongeveer % in zout en de overige in zoet water. Van de eerste behooren de meeste tot de orden, welke men als de oudsten mag beschouwen, zooaLs de Dipnoi, de Ganoïdei en de Physostomi, en tot de laatste de in soorten zoo rijke familiën der Cyprinidae en Siluridae, van welke de eerste vooral iiï de Oude en de tweede in de Nieuwe Wereld is verspreid, alsmede de zalmen en de snoeken. Hoewel de verschillende groote zeeën met elkander gemeenschap hebben, vindt men toch een aanmerkelijk verschil in de fauna's en evenzoo ontwaart men een aanmerkelijk verschil in de visschen der beide werelddeelen. Naar de polen vermindert het aantal soorten, maar vermeerdert het aantal visschen.

De visschen zijn voor den mensch van groot belaag als voedingsmiddel. Geene enkele klasse van dieren is in dit opzicht zoo nuttig, daar niet alleen onderscheidene volken zich schier uitsluitend met visch voeden, zooals de Eskimo's, Groenlanders enz. maar ook omdat het vangen, inleggen en verkoopen van visch aan vele duizenden de middelen verschaffen om in hun onderhoud te voorzien. Het

vleesch der visschen is meestal malsch en aangenaam van smaak. Ook de kuit (de eieren) van onderscheidene visschen, vooral die van den steur, wordt ingezouten en deze laatste onder den naam van kaviaar genuttigd. Voorts leveren de visschen de beste soort van lijm. Van de zilverglanzige schubben van talrijke visschen, waarmede holle glasbolletjes worden opgevuld, vervaardigt men valsche parels, alsmede kunstbloemen, mandjes enz. Het vel van alen, zalmen en roggen bezigt men tot het bekleeden van allerlei voorwerpen, en gelooide zalmhuiden vormen het gewaad der bewoners van Midden Oost-Azië. Vischgal komt, evenals rundergal, te pas voor de schilderkunst en bij het wasschen, en men bezigt de huid van sommige visschen, b.v. haaien, om te polijsten.

Een overzicht van de systematische rangschikking van de visschen, zooals die door de meeste zoölogen thans wordt gevolgd, volgt hieronder (voor bijzonderheden der familiën zie de afzonderlijke art.):

Hoofdafdeeling I. Acrania. Visschen met lancetvnrmige gedaante, zonder borst- of buikvinnen, met ruggestreng (chorda dorsalis), doch zonder hersenkas, met kloppende vaten en kleurloos bloed. Familie: Leptocardii.

Hoofdafdeeling II. Cyclostomi. Rolronde visschen zonder borst- of buikvinnen, met kraakbeenig geraamte en een vaste ruggegraat, 6—7 paren zakvormige kieuwen en een cirkel- of half cirkelvormigen zuigmond. 1. Familie: Petromyzontidae; -2. Familie: Myxinidae.

Hoofdafdeeling III. Euichtyes. Orde 1. Chondropte-

rygii. Visschen met kraakbeenig skelet, ongepaarde en gepaarde vinnen, het achterste paar buikstandig; staartvin gewoonlijk ongelijklobbig; meestal meer dan één kieuwopening; geen kieuwdeksels en geen zwemblaas.

Suborde A. Plagioslomi. a. Squalides. - 2. Batoidei.

Suborde B. Holoccphali (Chimaeren).

Orde 2. Ganoidei. Visschen met kraakbeenig of verbeend skelet; liet lichaam meestal bedekt met ruitvormige of ronde emailschubben of beenige schilden; ongepaarde en gepaarde vinnen, waarvan de achterste buikstandig; ter weerszijden van den kop één kieuwopening met kieuwdeksel, zwemblaas met luchtgang.

Suborde A. Chondrostei. Familie 1. Acipenseridae. Familie 2. Polyodontidae.

Suborde B. Crossopterygii. Familie: Polypteridae,

Suborde C. Euganoides. Familie: Lepidosteidae.

Suborde D. Amioidei.

Orde 3. Teleostei. Deze hebben een beenig geraamte en afzonderlijke rugwervels, vrije kieuwen, (meestal aan elke zijde 4) en een uitwendig kieuwdeksel.

Suborde A. Acanthopterygii. Omvat een groot aantal familiën.

Suborde B. Pharyngognathi. Familie 1. Labridae. Familie 2. Embiolocidae. Familie 3. Chromides.

Suborde C. Anacanthini. Familie 1. Gadidae. Familie 2. Ophidhdae. Familie 3. Pleuronectidae.

Suborde D. Physostomi. Omvat een groot aantal familiën.

Suborde E. Lophobranchii. Familie Syngnalhidae.

Suborde F. Plectognathi. Familie 1. Scelerodermi. Familie 2. Gymnodontes.

Orde 4. Dipnoi. Deze zijn te beschouwen als een tusschenvorm tusschen de Visschen en de laagste der luchtademende gewervelde dieren, de Amphibieën.

Visschen is de naam van het laatste teeken van den Dierenriem (zie aldaar). Ook is het de naam van een sterrenbeeld van het noordeliik halfrond (zie

de kaarten bij het artikel Sterrenkaart).

Visscher, Roemer, een Nederlandsch koopman en letterkundige, werd geboren te Amsterdam in 1547, was een vriend van Henrick Laurens Spieghel en evenals deze, een iiveri2 lid van de rederiikers-

kamer ,,In liefde bloeiende." Beide bleven Katholiek doch hadden een ruime, vrijzinnige opvatting. Visscher trad in 1852 met een Protestantsche vrouw Aefje Jans van Campen, in het huwelijk. Hij was bekend met de Grieksche, Romeinsche, Italiaansche en Fransche letterkunde en bracht vele korte, vooral Latijnsche gedichtjes, inzonderheid van Martialis, in het Nederlandsch over, zoodat Jan van der Does hem den tweeden Martiael noemde, welken naam hij in de letterkunde ten onrechte behield. Aanvankelijk gaf hij zijn gedichtjes, waaraan hij zelf weinig waarde hechtte en die alleen in afschrift verspreid waren, niet uit; eerst nadat te Leiden in 1612 buiten zijn weten een deel daarvan slordig en verminkt en vermengd met die van anderen gedrukt was, besloot hij zé in 1614 zelf in het licht te zenden. Deze bundel verscheen onder den titel „Brabbelingh." Hierin vindt men „quicken" (epigrammen of kwinkslagen in rijm), „tuyters" (sonnetten), jammertjes" (elegieën), eenige raadsels, een paar „schocken'' (zestigtallen) „rommelsoo" en eenige langere gedichten, die hij onder den naam , tepelwerck" (knutselwerk) samenvat. Onder de laatste

Sluiten