Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

graveur en etser voornamelijk van portretten doch ook van genrestukken en landschappen, werd te IIaarlem(?) geboren in 1618 of 1629 en overleed in 1668 of 1662. Visscher is een der allerbeste, Hollandsche graveurs. Van zijn leven weten wij uitermate weinig. Waarschijnlijk was hij een leerling van P. Houtman. Hij had een zeer eigenaardige techniek, waardoor hij buitengemeen fraaie resultaten verkreeg. Als teekenaar van portretten behoeft hij voor de eerste portretschilders van zijn tijd niet onder te doen. Behalve naar eigen teekeningen graveerde hij naar werken van Guido Reni, Rubens, Ostade, De Laar, Berchem, Breenbergh e. a. Onder zijn prenten van eigen vinding behooren tot de meest beroemde: de Koekebakster, de Liereman, de Rotieman en de Heidin. Onovertreffelijk was hij in zijn gegraveerde portretten, zooals b.v. die van Winius, De Rijck,Vondel en Huijgens. Teekeningen vanzijnhand bevinden zich hier te lande o. a. in het Prentenkabinet te Amsterdam en in het Museum Teyler te Haarlem. Te Amsterdam kan men ook zijne gravures en etsen leeren kennen.

Visscher, Tamerus, een Nederlandsch geneesheer, was gevestigd te Harlingen en overleed aldaar in 1736. Hij was gehuwd met Machtellie Jacoba Canler, de telg van een adellijk Spaansch geslacht, dat bij den aanvang van den Tachtigjarigen Oorlog wegens kettersche gevoelens uit Spanje was verbannen. Zijn zoon Jacobus Canter Visscher, geboren den 24sten November, 1692 studeerde in de theologie, vertrok in 1716 als predikant naar Batavia en werd het volgende jaar geplaatst te Cochin op de kust van Malabar, waar hij dienst deed in de Portugee-

bune uuu cu m i (dü overieea. nij leverde „Malabaarsche Brieven", behelzende een nauwkeurige beschrijving van de kust van Malabar. Dit boek werd door zijn broeder Cornelis Canter Visscher, predikant te Pingjum, in 1743 te Leeuwarden uitgegeven. Een der zonen van Jacobus, namelijk Frans Canter Visscher, geboren in 1719 en overleden in 1749, was doctor in de beide rechten en raad in de vroedschap va,n Dokkum, een ander, namelijk Hendrik Canter Visscher, was eveneens doctor in de beide rechten en gecommitteerde ten Landsdage te Dokkum.

Visscher, Lodeivijk Gerard, een Nederlandsch letterkundige, geboren te Breda den lst™ Maart 1797, werd in 1814 ambtenaar aan het departement van Financiën te 's Gravenhage en in 1817 controleur van directe belastingen. Na de uitgave van zijn werk: „Over het herstel en de invoering der Nederlandsche taal" (1825) werd hij benoemd tot hoogleeraar aan het Collegium Philosophicum te Leuven. Bij het uitbreken der Belgische onlusten in 1830 vertrok hij naar Nederland en werd hoogleeraar te Utrecht, waar hij den 26s<en Januari 1859 overleed. Van zijn geschriften vermelden wij nog: „Bloemlezing uit de beste schriften der Nederlandsche dichters van de 13de tot en met de 18de eeuw" (2 dln., 1821—1822), „Nederlandsche chrestomathie ten gebruike bij het hooger onderwijs" (1827), „Bloemlezing uit de Nederlandsche dichters en prozaschrijvers" (2 dln., 1828-1829). „Kleine handleiding voor de uitspraak der Nederlandsche taal enz. ,(1828), „Handleiding tot de algemeene geschiedenis der Nederlanden enz."(1832—1833), „Bijdrage tot de oude letterkunde der Nederlanden" (1834), „Ferguut, ridderroman uit den fabelkring van de Ronde Tafel" (1838), „Historisch tijdschrift"

(1841—1842), „Natuurkunde van het Heelal door Gerard Leenhout enz." (1841), „Bronnen en bouwstoffen ter beoefening van de algemeene geschiedenis van het vaderland" (2 dln., 1846), „Anthologie van Nederlandsche prozaschrijvers en dichters sedert 1795 tot, op dez^n tijd" (lBle dl., proza, 1847), „Kort begrip der algemeene geschiedenis van ons vaderland" (1848, 2"e druk 1850), „Leiddraad tot de algemeene geschiedenis van ons vaderland enz." (3 dln., 1853—1855), „Handboek der algemeene geschiedenis der Nederlanden en Nederlandsche Koloniën" (5 afl., 1852), „Beknopte geschiedenis der Nederlandsche letterkunde" (3 stukken, 1851— 1852), „Voorlezingen over de geschiedenis der R. Katholieke Kerk in de Noord-Nederlanden enz." (1853), „De Jezuïten in Nederland" (1845—1853) en „Korte schets van de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde" (4 dln., 1854—1857). Verder schreef hij opstellen in verschillende tijdschriften.

Visscher, Eugo, een Nederlandsch godgeleerde, geboren den 12«« October 1864 te Zwolle, ontving zijn voorbereidende opleiding aan het gymnasium aldaar, werd student te Leiden en promoveerde er in 1894 cum laude op een proefschrift getiteld: „Guilelmus Amesius, zijn leven en werken." Inmiddels was hij reeds in 1891 predikant geworden te St. Joha.nnisga, ging van daar in 1894 naar Zegveld en in 1896 naar Delft. Tevens was hij van 1895 tot 1907 redacteur van het „Gereformeerd Weekblad". Op verzoek van prof. Acquoy werd hem de voortzetting opgedragen van het door prof. H. Kkyn begonnen biografisch woordenboek van Protestantsche godgeleerden: „Het Protestantsche Vaderland", in welken arbeid hij door Dr. L. A. Langeraad werd ter ziide eestaan. Na ziin hp.

noeming tot hoogleeraar te Utrecht in 1903, liet hij dezen arbeid varen. Hij aanvaardde zijn hoogleraarsambt in 1904 met een rede over „De Oorsprong der religie." Hij is lid van de „Maatschappij der Nederlandsche letterkunde", van het Provinciaal Utrechtsch Genoofachnn pn irnn vprc<ii-iii_

lende andere binnen- en buitenlandsche vereenigingen. In afzonderlijke uitgave zagen van hem het licht: „Religie en Zedelijk leven"(1904), „Grijpt als't rijpt (1905), „Stemmen uit de wolk der getuigen" (1905), „God en mijn recht" (1906), „Religie en gemeenschap" (1907), „Religie en arbeid" (1908), „Feit of fictie" (1908), „De Antithese" (1909), „Het levensprobleem" (1909), „De Gereformeerde theologie in de XVII«« eeuw" (1910), „Het sociale streven van Fred. Le Play" (1910), „Het Probleem der armoede"(1911), „Religion und soziales Leben bei den Naturvölkern"(1911) benevens eenige geschriften van geringer omvang.

Visschersring1 (annulus piscatorius) is de naam van den ruig, dien de paus als teeken van zijn huwelijk met de Kerk draagt. Op dat zegel vindt men de beeltenissen van den apostel Petrus, gezeten m een boot en de sleutels (van het hemelrijk) in de hand. Met zulk een ring,?waarop de naam van den regeerenden paus vermeld staat, worden sedert de 13de eeuw ook de pauselijke breven gesloten.Dit zegel wordt alleen door den paus gebruikt en na zijn dood door den kardinaal-kamerheer vernietigd,waarna de stad Rome den nieuw-benoemden paus met een anderen zegelring begiftigt. De naam staat in verband met het verhaal, dat de apostel Petrus vóór het aanvaarden van het apostelambt een visscher was.

Sluiten