Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

evenzoo de noordzeevisschers, de zuiderzeevisschers en de binnenvisschers; voorts bestaan in Zeeland nog verschillende plaatselijke visschersvereenigingen. Voor de visscherij in het buitenland, zie bij de over de verschillende landen handelende artikelen.

Vlsachertjhaven. Zie Visscherij.

Visser, Mans Willem Cornelis Anne, een Nederlandsch letterkundige, geboren te St. Anna Parochie (Friesland) in Ï773, studeerde te Franeker en werd in 1795 predikant te Warns en in 1809 te IJsbrechtum, waar hij den 20sten September 1826 overleed. Hij was gedurende een reeks van jaren schoolopziener en secretaris der provinciale commissie van onderwijs in Friesland. Van zijn geschriften vermelden wij: „Inleiding in de boeken des Ouden Testaments en des Nieuwen Testaments" (1801), „Woordenboek van alle oorspronkelijke woorden der Nederlandsche taal" (1813), „Over de volstrekt noodzakelijke kundigheden, welke in de scholen behooren medegedeeld te worden" (1819, bekroond door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen), „Bijbeloefening over den brief van Paulus aan de Philippensen" (1825), „Wenken en onderrichtingen aan onderwijzers" (1824), „De vorming der jeugd enz." (1824), „Archief voor vaderlandsche en inzonderheid Friesche geschiedenis, oudheid en taalkunde" (met H. Amersfoort, 1824) en „Nieuwe bijdragen tot bevordering van de kennis en verbetering van den eeredienst enz." (2 dln., 1824).

Visser, Johannes Theodoor de, een Nederlandsch godgeleerde en staatsman, geboren den 9den Februari 1851 te Utrecht, bezocht het stedelijk gymnasium, werd vervolgens student aan de universiteit, deed het candidaats-examen in de rechten en legde zich daarna toe op de studie der <m<WlpprH>ieifl. Hii nromoveerde den 5den Mei 1880

tot doctor in de theologie op een proefschrift, getiteld: „De daemonologie van het oude testament.' Vervolgens werd hij predikant te Leusden (1880), te Almelo (1884), te Rotterdam (1888) en te Amsterdam (1892). In 1897 werd hij voor het eerst gekozen tot lid der Tweede Kamer. Bij de vernieuwing van zijn mandaat in 1909 legde hij zijn predikambt neer. Achtereenvolgens vertegenwoordigde hij Rotterdam, Amsterdam en Leiden. Zijn uitgebreide studiën op Bijbelsch-oudheidkundig gebied liet hij na 1893 varen, toen de Sociale arbeid hem meer en meer in beslag nam. Hij wijdde zich in 't bizonder aan de arbeidersbeweging en werd in 1898 de stichter van den Christelijk nationalen werkmansbond, welks orgaan „De Voorzorg" onder zijn hoofdleiding staat. Als kamerlid wijdde hij zijn belangstelling aan sociale vraagstukken, zooals arbeidersbelangen en onderwijs. Hij was ondervoorzitter der Staatscommissie voor de werkeloosheid en lid van de „Ineenschakelingscommisie.'! Hij volgde in 1910 Jhr. A. F. de Savornin Lokman op als voorzitter der christelijk- historische kamerfractie, in wier orgaan „De Nederlander' een groot aantal artikelen van zijn hand verschenen. Hij was ook werkzaam op het gebied der philantropie en is bestuurslid van tal van liefdadige instellingen. In verband daarmee bracht hij in het parlement menig rapport uit. Hij is een ijverig voorstander van de stichting van openbare leeszalen, en ondervoorzitter der vereeniging, welke de belangen daarvan bevordert. Hij is

ridder in de orde van den „Nederlandschen Leeuw" en lid van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap. In afzonderlijke uitgave zagen o.a. van hem het licht: „Hosea, de man des geestes" (1886), „Hebreeuwsche archaeologie" (1893), „Onze plichten" (1894, 1897). Voor het gedenkboek van het „Nieuws van den Dag": „Een halve Eeuw" schreef hij het artikel „De arbeidersbeweging" (1898).

Vissering, Gerbrand, een Nederlandsch godgeleerde, geboren te Groningen den lBten Juni 1813, studeerde eerst aan de hoogeschool van zijn geboorteplaats en vervolgens aan het seminarium der Doopsgezinden te Amsterdam, werd in 1837 predikant te Zuid-Zijpe en in 1842 te Wormer en Jisp, en overleed aldaar den 28sten Juni 1869. Wegens een door hem geleverde voortreffelijke vertaling van het Nieuwe Testament (1854: 2ae druk 1859) werd hij eershalve benoemd tot doctor in de godgeleerdbeid.

Vissering1, Simon, een Nederlandsch staathuishoudkundige, geboren te Amsterdam den 238ten Juni 1818, studeerde aan het athenaeum in zijn geboorteplaats in de rechten, was aldaar van 1842— 1847 als advocaat werkzaam, vervolgens als hoofdredacteur van de Amsterdamsche Courant, werd in 1850 hoogleeraar te Leiden en zag zich in 1879 benoemd tot minister van Financiën. Toen echter zijn ontwerp tot hervorming van het belastingstelsel geen bijval vond, legde hij in Juni 1881 de portefeuille neder. In Februari 1882 werd hij benoemd tot curator der rijks-universiteit te Leiden.

Behalve een Latijnsche dissertatie, schroei hij: „geschiedenis der tariefshervorming in Engeland" (met mr. D. A. Portielje, 1847), „Het wisselregt der XIXe eeuw" (1850), „Handboek der praktische staathuishoudkunde" (1860 ; 4ae druk, 1879) en „Herinneringen" (verzameling van verspreide opstellen, 3 bundels, 1863—1872). Hij werd in 1888 benoemd tot lid der commissie tot het afnemen van diplomatieke examens en overleed te Ellekom den 223ten Augustus 1888. Na zijn overlijden verscheen in het Septembernummer van „De Gids" een opstel van zijn hand onder den titel van: „Prosopographia socialistica".

Visnm repertum noemt men eene schriftelijke verklaring van geneeskundigen, die den uitslag bevat van een onderzoek, door hen op last der rechtbank ingesteld, waarbij tevens de uitkomsten worden aangewezen, die daaruit tot meerdere of mindere schuldverzwaring van den aangeklaagden persoon kunnen worden afgeleid.

Vitaliënbroeders of Vitalianen is de naam van een bende zeeroovers, die tegen het einde der 14ae eeuw het noordelijk gedeelte van Duitschland verontrustte. Toen koningin Margaretha van Denemarken koning Albrecht van Zweden en diens zoon Erik in 1389 bij Falköping overwonnen en gevangen genomen had en daarop in 1391 Stockholm belegerde, werden door de hertogen van Mecklenburg (bloedverwanten der gevangenen) te Rostock en te Wismar vrijbuiters uitgezonden, om de drie Noordsche rijken te benadeelen. Deze benden bestempelde men met den naam van Vitaliën- of Victualiènbroeders, omdat zij Stockholm van mondbehoeften voorzagen, en ook wel „Liekendeeler", omdat zij onderling den buit gelijk verdeelden. Wegens hun voorspoedigen strijd tegen de Denen en

Sluiten