Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zweden werd hun aantal gedurig grooter; zij namen in 1392 het eiland Gotland en werden geduchte zeeroovers onder de leus: „Gods vrienden en aller raenschen vijanden". Eindelijk werden zij in 1398 door de Duitsche Orde onder Koenraad van Jungingen uit Gotland verdreven en ook door konijigin Margaretha, alsmede door Hamburg en Lübeck voor vijanden des rijks verklaard, waarna een gedeelte dier roovers huiswaarts keerde, maar een ander deel verder westwaarts trok en betrekkingen aanknoopte met de Friezen. De schepen der Engelschen, Denen, Zweden en vooral der Hanzesteden, die op Engeland handel dreven, werden door hen geroofd en geplunderd, totdat zij eindelijk in 1401 bij Helgoland het onderspit moesten delven voor de Hamburgers, waarna hun aanvoerders Klaus Störtebeker en Wigman te Hamburg werden ter dood gebracht. Na 1429, toen zij Bergen plunderden en aan de vlammen prijs gaven, verdwijnt hun naam uit de geschiedenis.

Vitalisme is de naam van een theorie, door Stahl opgesteld, volgens welke in het levende organisme bijzondere krachten zouden werken, die de oorzaak zouden zijn, dat het zich van niet levende organismen onderscheidt. Nadat Wohler in 1828 door de synthese van ureum er in geslaagd was aan te toonen, dat verbindingen, welke als regel in het levende organisme gevormd worden, ook daarbuiten kunnen worden samengesteld, verloor de leer van het vitalisme haar waarde, vooral toen het ook in verschillende gevallen gelukte te bewijzen, dat de veranderingen,welke in het levende organisme plaats grijpen, berusten op natuur- en scheikundige processen. Een en ander was aanleiding, dat het vitalisme door een meer mechanische wijze van verklaring werd verdrongen. In den nieuweren tijd heeft het echter weder aanhangers gevonden. Deze zien in de doelmatigheid van den bouw der organismen een belangrijk bezwaar tegen de aanvaarding van de zuivere mechanische verklaring der levensprocessen.

Vite, Timoteo della, of Viti, een Italiaansch schilder, geboren te Ferrara in 1467, was een leerliHg van Francia en werd in 1495 te Urbino met Rafjaèl bekend, op wiens eerste werken hij volgens sommigen veel invloed heeft gehad. Later was hij Raffaël te Rome behulpzaam en schilderde als zoodanig bijv. de profeten boven de sibyllen in Santa Maria della Pace te Rome. Eigen werken van hem vindt men o.m. in de Brera en in de Cappucini te Milaan, te Urbino, Brescia, Bergamo, Bologna en Turijn. Hij overleed in 1523 te Rome.

Vitellianus of Vitalianus, paus, geboortig uit Segni, beklom den Heiligen Stoel in 657, mengde zich als tegenstander van het monotheletisme in den hierover gerezen strijd, maar moest buigen voor de keizerlijke partij. Hij overleed den 27sten Januari 672.

Vitellius, Aulus, met den bijnaam Germanicus, een Romein sch keizer, de zoon van Lucius Vitellius, geboren in 15 n. Chr., had, evenals zijn vader, door vleierij en lage diensten de gunst van Tiberius, Caligula, Claudius en Nero weten te verwerven en werd na den val van laatstgenoemde door Galba belast met het opperbevel over de legioenen aan den Beneden-Rijn. Toen hij door deze en door die aan de Boven-Rijn in het begin van 69 tot keizer uitgeroepen werd, zond hij een gedeelte van het

leger onder Caecina en Valens naar Italië; deze brachten aan keizer Otho, die inmiddels Galba had doen vallen, de nederlaag toe en openden alzoo voor Vitellius den weg naar Rome. Hier gaf hij zich over aan lediggang en onmatigheid, hoewel reeds Vespasianus in Palestina door zijn legioenen tot keizer was uitgeroepen en zich gereed maakte, hem te bestrijden. Antonius Primus, een krijgsoverste van Vespasianus, drong aan het hoofd der Pannonische en Moesische troepen in Italië door, versloeg het leger van Vitellius bij Cremona en veroverde den 21stenof 22atenDecember 69 Rome, waar Vitellius geenerlei maatregelen genomen had ter zijner verdediging. In het bloedbad bij de bestorming der stad kwam ook laatstgenoemde om het leven.

Viterbo, een arrondissementshoofdstad in de Italiaansche provincie Rome, is schilderachtig gelegen aan den Monte Cimino en door spoorwegen met Rome en Attigliano verbonden. Zij is de zetel van een bisschop en heeft stadsmuren met torens uit den tijd der Longobarden, de kathedraal San Lorenzo met praalgraven van verschillende pausen, de kerken San Francesco, Santa Maria della Veriti, Santa Maria della Salute, Sant' Angelo en San Giovanni in Zoccoli,een Palazzo Communale met een voorhal uit de 15dc eeuw, fresco's uit de 17de eeuw en een verzameling van Etruskische oudheden en schilderijen, overblijfselen van een oud bisschoppelijk paleis, het Palazzi Chigi en eenige fraaie fonteinen, waarvan wij de Fontana Grande en de Fontana della Rocca noemen. Viterbo bezit verder een lyceum, een gymnasium, een technisch instituut, een techniche school, een seminarium, een tuchthuis, een bibliotheek enz. Het aantal inwoners bedraagt (1901) 14 704, van de gemeente 21 292. Zij houden zich bezig met de vervaardiging van laken, leer, papier, speelkaarten, lucifers, zeep enz. In de nabijheid vindt men warme bronnen.

In 742 wordt een kasteel Viterbo vermeld, later was de stad de hoofdplaats van een graafschap, zij werd door Karei den Groote aan de kerk geschonken, was onder Frederik I afhankelijk van het rijk, doch kwam later aan de kerk terug.

Ludovic, een Fransch schrijver, geboren te Parijs den 18den October 1802, ontving zijn opleiding aan de Ecole Normale en zag zich in 1824 geplaatst bij het dagblad: „Le Globe". Hij was in Frankrijk de eerste, die tafereelen uit de geschiedenis van zijn vaderland dramatisch en zonder toegevoegde verdichtselen zocht te schetsen. Hij deed dit in zijn „Scènes historiques" (1826—1829), later verzameld onder den titel: „La Ligue" (2 dln., 1844). Na de omwenteling van 1830 verkreeg hij de betrekking van inspecteur-generaal van oude gedenkteekenen en in 1834 die van secretaris-generaal bij het ministerie van Handel. In 1836 werd hij staatsraad, in 1838 afgevaardigde en in 1845 lid der Academie. In 1849 werd hij door het departement Seine Inférieure gezonden naar het Wetgevend Lichaam, waar hij zich bij de meerderheid voegde. Sedert 1851 wijdde hij zich uitsluitend aan letterkundige werkzaamheden, totdat hij 1871 gekozen werd tot lid van de Nationale Vergadering, Hier vervulde bij het rechter centrum een belangrijke rol. Hij overleed den 5den Juni 1873. Van zijn geschriften vermelden wij nog: „Histoire des anciennes villes de France" (1833), „Histoire de Dieppe" (1833, 2de dmk 1844), „Fragments et mélanges (2

Sluiten