Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijk van 1707—1713 kapelmeester van hertog Phillips van Hessen te Mantua, sedert 1714 vioolsolist in het orkest van de Marcuskerk en directeur van het conservatorium te Venetië. Waarschijnlijk was Vivaldi priester, zooals uit zijn bijnaam „il prete rosso" (de roode priester) blijkt. Hij overleed in 1743 te Venetië. Hij behoort tot de belangrijkste vertegenwoordigers \an de classieke periode van het Italiaansche vioolspel. Van hem zijn een groot aantal sonates en concerten af komstig. Zes van zijn vioolconcerten werden door Johann Sebastiaan Bach voor piano en 4 voor orgel bewerkt.

Vivarine is een Venetiaansche kunstenaarsfamilie uit Murano. Antonio Vivarine vervaardigde sedert 1440 met Johannes Alemannus altaarstukken in rijk versierde, Gotische omlijsting. Hun hoofdwerk is de tronende Madonna met de vier Kerkvaders in de academie te Venetië. Later werkte hij samen met zijn broeder Bartolommeo Vivarine. Samen schilderden zij het groote altaarstuk in de pinakotheek te Bologna (1460). Van de werken van Bartolommeo noemen wij verder: de tronende Madonna in de academie (1464), de Madonna met twee heiligen in de San Giovanni te Bragora (1483), de tronende Marcus met vier heiligen (1474) en een altaarbeschildering in de Frarikerk te Venetië (1487).

Vivarine, Luigi ( Alvise), een zoon van den voorgaande, van wien alleen in de jaren 1464—1603 iets met zekerheid bekend is, stond reeds geheel onder den invloed van Antonello da Messina. Te Berlijn bevindt zich van hem een groote, tronende Madonna en te Weenen een Madonna met een musiceerenden engel. Verder bevinden zich werken van zijn hand te Venetië, Padua, Milaan, Napels enz.

Vivere, Jacob van de, of Viverius, een Nederlandsch schrijver, geboren te Gent in 1572, studeerde eerst te Leuven, daarna te Leiden in de geneeskunde, volbracht reizen in Frankrijk en Engeland, woonde daarna eenigen tijd te Leiden en vestigde zich vervolgens te Amsterdam, waar hij na 1636 overleed. Hij schreef: „De uitspraecke van Anna Uit den Hove (Utenhove), die te Brussel om de zuivere leere moordadich is gedolven geweest enz." (1598), „Verhael van Godes goedigheit en bermhartigheit, in dichtbeschreven", „Spiegel van de Spaensche tyrannie enz." (1601), „Handboeck of cort begrijp der caerten en beschrijvingen van alle landen des Werelds" (1609), „Lusthof van de christene ziele" (1609), „Het reysgeldt van de uterste of laetste reyse enz." (1610), „Wintersche avonden of Nederlandsche vertellingen" (1610 en later bij herhaling)", „De handt Godes enz." (1624), ,en „Tien christelijke gesangen" (2de druk, 1834).

Viverra. Zie Civetkat.

Vives, Jean Luis, een Spaansch humanist, geboren te Valencia den 6den Maart 1492, studeerde in zijn vaderland en te Parijs in de wijsbegeerte en woonde vervolgens te Brugge, Parijs en Leuven. Sedert 1520 bevorderde hij in laatstgenoemde stad met Erasmus de humanistische studiën en onderwees o. a. prins Willem van Croy, kardinaal-aartsbisschop van Toledo. Naar aanleiding van zijn uitgave van Augustinus, „De civitate dei" (1522), opgedragen aan Hendrik VIII van Engeland, en zijn „De institutione feminae christianae" (1523), opgedragen aan Catharina van Arragon, werd hij naar Engeland geroepen en woonde van 1523— 1528 voornamelijk te Londen en te Oxford. Hij gaf

onderricht aan de universiteit, was de raadgever van den koning en de koningin en onderwees prinses Maria gedurende eenigen tijd. Aan haar droeg hij: „Satellitium animi" (1524) op. Het laatste deel van zijn leven bracht hij hoofdzakelijk te Brugge door, waar hij den 6den Mei 1540 overleed. Aan de Hervorming nam hij geen deel. Hij schreef belangrijke paedagogische werken, hiervan noemen wij: „Introductio ad sapientiam" (1524), „De disciplina libri XII" (1531), „Exercitatio linguae latinae" (1538) en „De anima et vita" (1538). Van zijn overige werken noemen wij: „De subventione pauperum" (1526), „De concordia et discordia" (1532) en „De veritate fidei christianae" (1541). Zijn werken verschenen gezamenlijk in 1555 in 2 dln., en in 8 dln. van 1781—1790.

Vivi is een door Stanley in 1879 in den Ivongostaat gesticht station, geiegen tegenover Matadi en beneden de laatste stroomversnelling van den Kongo. Het heeft een gemiddelde jaartemperatuur van 25° C. en een regenval van 1041 mm.

Viviani, Vincenzo, een Italiaansch wiskundige, geboren den 5den April 1622 te Florence, wijdde zich onder leiding van Galileï aan de wiskunde en werd in 1662 eerste wiskundige van groothertog Ferdinand II te Florence en lid van de door hem gestichte Accademia del Cimento. Lodewijk XIV benoemde hem in 1699 tot lid van de Academie van Wetenschappen te Parijs. Hij overleed den 22stea September 1703. Zijn scherpzinnigheid bleek vooral in zijn aanvullingen van de verloren gegane 5 boeken van den Griekschen wiskundige Aristaeus over de kegelsneden „(Divinatio in Aristaeum", 1701) en in die van het verloren gewaande 4de boek van Apollonius van Perga (Divinatio in quartum conicorum Apollonü Pergaei." (1659).

Viviani, René Raphaël, een Fransch staatsman, geboren in 1863 te Sidi-bel-Abbès, studeerde te Parijs in de rechten, vestigde zich eerst als advocaat te Algiers, vervolgens te Parijs en werd in 1889 eerste secretaris van de vereeniging van advocaten. In 1893 werd hij door het Vde arrondissement van Parijs tot afgevaardigde gekozen, hij voegde zich bij de socialisten. In 1899 bewerkte hij, dat de Kamer aan vrouwen toestond het beroep van advocaat uit te oefenen. In hetzelfde jaar werd hij redacteur van de „Lanterne." In 1902 werd hij niet herkozen en liet zich opnieuw inschrijven als advocaat. Hij schreef een groot aantal staatkundige artikelen in verschillende tijdschriften. In 1905 wrd hij lid van de redactie van de „Humanité", gesticht door Jaurès. In 1906 werd hij opnieuw tot afgevaardigde gekozen, in hetzelfde jaar werd hij door Clémenceau ïn het pas opgerichte ministerie van Arbeid benoemd. Hij schreef: „L'Action du parti socialiste au Parlement et dans le pays" (1902, met Jaurès, Briand en Millerand) en „Histoire de la Restauration" (1906).

Vivianiet of glaucosideriet is een delfstof, die in zuilvormige monkline kristallen voorkomt, hoewel ook in bolvormige agregaten en aardachtige variëteiten. Het heeft een indigoblauwe tot zwartachtig groene kleur. De hardheid is 2, het soortelijk gewicht 2,6—2,7. Men vindt het in gekristalliseerden toestand in lagen van magneetkies en van bruinijzersteen, in tertiaire lagen, in tinmijnen en ook in klei en veen, waar het de holten vult van fossiele beenderen enz.

Sluiten