Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vivien, Renée, een Frar.sche dichteres, geboren in 1877 te Londen, gaf in 1901 den dichtbundel „Etudes et préludes" (1901), in 1902 den bundel „Cerdres et poussière" (1902) uit. Daarop volgden de Scandinavische legenden: „Brumes de fjords" (1902), de dichtbundel „Evocations" (1903), de vertaling uit het Grieksoh ,,Sapho" 1903) en „Kitharèdes" (1904), een vertaling van fragmenten van 14 Grieksche schrijfsters. Verder noemen wij nog: „Du vert du violet" (1903), „La Vénus des aveugles" (1904), „Une femme m'apparut" (1904), „La Dame a la louve" (1904) en „A 1'heure des mains jointes."

Vivien de Saint-Martin, Louis, een Fransch aardrijkskundige, geboren den 22sten Mei 1802 te Caen in Normandië, begaf zich op 12-jarigen leeftijd naar Parijs, waar hij later, met uitzonderirg van zijn verblijf te Versailles van 1865— 1877, aanhoudend gevestigd bleef. Hij behoorde in 1822 tot de stichters van het Aardrijkskundig Genootschap te Parijs, vervaardigde aldaar in 1826 het eerste georama en wijdde zich sedert 1840 uitsluitend aan de geografie. Hij werd in 1842 met de redactie der sedert 1809 door Maltebrun en Klaproth uitgegeven „Annales de voyages" belast, waaraan hij gedurende 14 jaar verbonden bleef, en legde de beide eerste deelen ter perse van zijn „Ristoire universelle des découvertes géographiques" (1845 —1847, nieuwe uitgave met den titel „Description historique et géographique de 1' Asie Mineure," 1852), wier verdere uitgave door de gebeurtenissen van 1848 verhinderd werd. Verder schreef hij: „Etudes de géographie ancienne et d'ethnographie asiatique" (2 dln., 1850—1854), stichtte in 1852 het „Athenaeum francais", een wetenschappelijkletterkundig weekblad en gaf van 1863—1875 ,,L' année géographique" uit, tot 1878 voortgezet door Maunoir en Duveyrier. Zijn voornaamste werken schreef hij echter over de geografische toestanden van Indië en Afrika ten tijde van de Romeinen, n. 1.: „Etude sur la géographie et les popidations primitives du Nord Ouest de 1'Inde, d'après les hvmnes védiques" (1860), „Etude sur la géographie grecque et latine de Hnde" (3 dln., 1858—1860), „Le Nord de 1'Afrique dans 1'antiquité grecque et romaine" (1863). Buitendien schreef hij een „Histoire de la géographie et des découvertes géographiques" (1873, met atlas). Het laatst gaf hij zijn zeer omvangrijke „Nouveau dictionnaire de géographie universelle" (7 dln., 1877—1895, dl. 3 en 4 met medewerking van Roitsselet, dl. 5—7 alleen van Bmsselet, daarbij 2 supplementen 1895—1899). Sedert 1877 gaf hij met Schrader een „Atlas universel" uit, die sedert 1887 alleen door Sclirader werd voortgezet. Hij overleed den 3den Januari 1897 te Parijs.

Vivisectie noemt men het verrichten van proeven op levende dieren door physiologen of geneeskundigen met het doel de levensverschijnselen van een organisme te bestudeeren. Hiertoe behooren operaties, inentingen, het ingeven van bepaalde stoffen enz. Als proefdieren gebruikt men vooral kikvorschen, konijnen, Guineesche biggetjes, ratten, muizen, katten, honden, apen enz. In de tweede helft van de 19de eeuw ontstond een hevige strijd over de vivisectie. De tegenstanders plaatsen zich op een ethisch standpunt en meenen, dat het onder geen enkele omstandigheid geoorloofd is een

dier te kwellen; de voorstanders betoogen, dat dit in het belang van de wetenschap wel geoorloofd is, mits men door het toepassen van verdoovende middelen, waar deze mogelijk zijn, en door andere voorzorgen, het lijden van het dier zoo gering mogelijk make. Ook over het nut van de vivisectie loopen de meeningen zeer uiteen; de voorstanders beweren, dat elk gebied van de geneeskunde partij heeft getrokken van de onderzoekingen op dieren en dat de ontdekking van den bloedsomloop, onze kennis van spijsvertering en stofwisseling, van vergiften, geneesmiddelen en meststoffen, van de serumtherapie, de bacteriologie, de behandeling van wonden enz. grootendeels aan haar te danken zijn; volgens de tegenstanders is het niet bewezen, dat deze zelfde kennis niet op een andere manier verkregen zou zijn, terwijl volgens hen de nadeelen, bestaande in door haar toenemende wreedheid en in de verkeerde conclusies, waartoe zij soms aanleiding geeft, de mogelijke voordeelen overtreffen. Vooral in Engeland ontstond een hevig verzet tegen de vivisectie. In 1876 kwam aldaar een wet tot stand, volgens welke proeven op huisdieren alleen met goedkeuring van den minister mogen genomen worden. In ons land wordt bij het officiëele onderwijs de vivisectie in het algemeen niet toegepast. De voornaamste vereeniging in ons land, die de vivisectie tracht tegen te gaan, is de Nederlandsche Bond tot bestrijding der Vivisectie (zie Bond, Nederlandsche, tot bestrijding der Vivisectie.

Vizcaya is een andere spelling van Biscaya (zie aldaar).

Vizeu (Viseu), de hoofdstad van het gelijknamige Portugeesche distrikt in de provincie Beira, op een hoogte, in een groote, vruchtbare vlakte gelegen, is een eindstation van den spoorweg naar Santa Comba Dao en de zetel van een bisschop. Het bezit een Gotische kathedraal met 2 Romaansche torens en schilderijen van den alhier geboren Vasco da Gama, een middelbare school, een seminarium voor priesters, een schouwburg en een ziekenhuis en telt (1900) 8216 inwoners, die de veeteelt (beroemde ham) beoefenen. Buiten de stad ligt de kerk St. Miguel, naar luid van de sage de laatste rustplaats van den in 711 gevallen, laatsten koning der Goten, Roderik. De wallen van een Romeinsche legerplaats, thans nog aanwezig, werden naar den Lusitaanschen hoofdman, Viriathus, die haar na zijn overwinning op Deeius Junius Brutus aan de Romeinen ontnam, Cava do Viriato genaamd.

Vizier (eigenlijk „drager") is een titel, die in Turkije aan verschillende liooge staatsambtenaren, inzonderheid aan de eerste ministers, wordt gegeven. Tegenwoordig wordt deze titel in het dagehjksch leven weinig meer gebruikt; in zijn plaats is de titel moesjir gekomen, die in het algemeen door alle pasja's met drie paardestaarten wordt gedragen. Vroeger werden inzonderheid de zes voornaamste leden van den Staatsraad vizier genoemd; zij vormden onder voorzitterschap van den groot-vizier een afzonderlijk comité in den Staatsraad, dat een raadgevende stem bezat. De groot-vizier (Turksch: sadralzam oefende onmiddellijk na den sultan het hoogste gezag uit.

Vizier. Zie Handvuurwapenen.

Vizier noemt men het deel van een ridderhelm, dat diende om het aangezicht te beschermen. Zie Helm.

Sluiten