Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geil door die van liet metrieke stelseL Landmeters en sterrenkundigen berekenen de oppervlakte van omwentelingslichamen, zooals bijv. de aarde er een is, niet in de veronderstelling, dat zij begrensd zijn door een plat vlak, maar als regelmatig omwentelingsoppervlak.

Vlam is het bij verbranding aan de lucht van dampen en gassen waarneembare lichtverschijnsel. Aan de vorming van een vlam gaat steeds die van brandbare gassen en dampen vooraf. Het is niet het hout op zichzelf, de steenkool, olie enz., die met een zichtbare vlam verbranden, maar het zijn de brandbare gas- of dampvormige ontledingsprodukten, die bij de voorafgaande verhitting zijn gevormd en bij voortgaande verbranding door de vrijkomende warmte steeds weder opnieuw gevormd worden.

Wordt een gasstroom aangestoken, dan heeft de verbranding slechts plaats op die punten, waar de lucht kan toetreden. De vlam bestaat dus uit een lichtgevenden mantel met een donkere kern van onverbrand gas. De vorm van de vlam hangt af van dien van den brander en van de snelheid, waarmede het gas uitstroomt. De lucht dringt van buiten af de vlam binnen, en wel des te dieper, naarmate zij langer inwerkt. Als gevolg daarvan neemt de oppervlakte der doorsnede van de vlam af, naarmate men haar verder van de pit of den brander beschouwt. Zoo ontstaat de kegelvormige gedaante van de vlam, bestaande uit de donkere kern van gas, dat nog niet brandt, den liclitgevenden mantel en een niet of weinig lichtgevende uitwendige laag van verbrandingsprodukten. Daarbij komt dan nog de blauwe, niet lichtgevende basis, welke reikt tot waar de lucht de vlam vrij kan binnenstroomen. De temperatuur van de vlam hangt af van den aard der stof, die verbrandt en van dien der verbrandingsprodukten. Niet alle stoffen geven bij verbranding dezelfde hoeveelheid warmte en niet alle verbrandingsprodukten vereischen om op dezelfde temperatuur gebracht te worden dezelfde warmtehoeveelheid.

In het algemeen zijn vlammen, waarin alleen gassen voorkomen, niet of weinig lichtgevend, terwijl in de meeste lichtgevende vlammen fijn verdeelde vaste stoffen aanwezig zijn. Zoo komt in de ontledingsprodukten der stoffen, welke toepassing vinden als verlichtingsmateriaal, gasvormig aethyleen (C2H4) voor, dat bij sterke verhitting uiteenvalt in methaan (CH4) en koolstof (C). Het methaan verbrandt nu en verhit de koolstof, welke daardoor witgloeiend wordt. In de niet lichtgevende methaanvlam straalt dus de witgloeiende koolstof licht uit; in de uitwendige laag gekomen, verbrandt de koolstof tot kooldioxyd. Beperkt men den luchttoevoer, dan scheidt, oaar zij niet verbrandt, een gedeelte van de koolstof zich af als roet; de vlam walmt. Vermengt men daarentegen lucht met het gas, vóór het verbrandt, dan vormt zich een blauwe, niet lichtgevende vlam, omdat de koolstof, op het oogenblik, dat zij uit het aethyleen wordt afgescheiden, door de overmaat van lucht wordt geoxvdeerd vóór zij tot gloeien gebracht wordt.

Vlaming', Pieter, een Nederlandsch dichter, geboren te Amsterdam den 29sten Maart 1686, studeerde te Leiden in de rechten en werd bekend met de Fransche, Hoogduitsche, Engelsche en Italiaansche letterkunde. Vooral laatstgenoemde had grooten invloed op hem, zooals blijkt uit zijn: „Dicht-

lievende uitspanningen" (1711), door hem met zijn v-riend J. B. Wellekens in het licht gezonden, waarin een navolging voorkomt van het Italiaansche herdersdicht, terwijl hij in 1730 een vertaling leverde van de „Arcadia" van Sannazari met een levensbeschrijving van dien dichter. In 1712 bezorgde hij een uitgave van gedichten van zijn vriend L. Schermer. In 1719 werd hij benoemd tot boekhouder bij de Oost-Indische Compagnie te Amsterdam. Hij bezorgde in 1723 een fraaie uitgave van den „Hertspieghel" van Spieghel, een paar jaar later van de „Rederijkkunst" van Hoogstraten en van de „Poëmata" van V Hópital. Hij hield zich bezig met een „Beschrijving en geschiedenis van Amsterdam", waarvan slechts 6 stukken en eenige kaarten verschenen, toen hij den 24stcn Februari 1733 op zijn buitengoed Hoogerwoud bij Haarlem overleed.

Vlanv of Puddeloven. Zie IJzer.

Vlampunt of Ontvlammingspunt. Zie Olie.

Vlampijp. Zie Stoomketel.

Vlampijpketel. Zie Stoomketel.

Vlas (Linum L.) is een plantengeslacht van de familie der Linaceeën of Vlasachtigen. Het is gekenmerkt door het bezit van ongedeelde bladeren, 5-bladigen kelk, 5 kroonbladeren, 5 meeldraden en van een onvolkomen 10-hokkige doosvrucht. Het omvat omstreeks 90 soorten, die hoofdzakelijk voorkomen in de gematigde en subtropische luchtstreken der aarde. Het ook in Nederland in het wild voorkomende, 7-—20 c.m. hooge purgeervlas (L. catharcticum L.) werd vroeger als licht purgeermiddel gebruikt. Het 0.3—1 m. hooge overblijvende vlas {L. perenne L.) komt voor in Midden- en Zuid-Europa, Midden-Azie en N. Amerika en levert een lange, doch grove en moeilijk te isoleeren vezel, Het gewone vlas (L. usitatissimum L.), dat tot 1 m, hoog wordt, heeft onder normale omstandigheden slechts één rechtopstaanden stengel, die aan den top weinig vertakt is, lijn-lancetvormige, afwisselend staande bladeren bezit en hemelsblauwe, soms witte, bloemen draagt. Het kan de fijnste vezel leveren en heeft voor de cultuur en de industrie verreweg de grootste beteekenis. De cultuur moet zóó geregeld worden, dat de stengel lang, aan den top zoo weinig mogelijk vertakt en middelmatig dik is. Het stamt waarschijnlijk uit de Kaukasuslanden. Onder het gewone vlas worden nog onderscheiden: L. usit. vulgare met langeren, weinig vertakten stengel en niet open springende vruchten, dat het meest in cultuur is, en L. usit. crepitans of springvlas, dat een korteren meer vertakten stengel bezit en waarvan de vruchten bij rijping met een klinkend geluid openspringen. Het wordt nog in Zuid-Duitschland verbouwd. Verder wordt nog onderscheiden uitbloeiend of Amerikaansch vlas (L. americanum album), dat van Europeeschen oorsprong schijnt te zijn en een minder fijne vezel levert. Wintervlas wordt in Italië, ZuidFrankrijk, Spanje, Algiers en Egypte verbouwd; het geeft wei meer zaad, maar een korteren stengel dan het gewone vlas. Naar den oorsprong worden tal van vormen onderscheiden, o. a.: R ig a a s c h, Windauer, Libauer, Pernauer en P s k o w vl a s. Het nieuw uit Rusland aangevoerde zaad draagt den naam van origineel of tonzaad; het daarvan gewonnene enter of revelaar en het hiervan verkregene t w e n t e r of revelaarskind.

Sluiten