Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vlascultuur is van praehistorischen ouderdom. Haar oorsprong is niet met zekerheid bekend. In de oudste graftomben van Egypte, in de Zwitsersche paalwoningen en in de terpen van Nederland zijn sporen van vlas gevonden. Van Azië werd de vlascultuur naar Griekenland overgebracht. In 't Romeinsche rijk werd volgens Livius het vlas reeds 500 j. v. Chr. tot kleedingstukken verwerkt. Spoedig vond de vlasbouw ook bij de Germaansche, Keltische, Slavische en Litthauer volksstammen meer en meer ingang. In de 12de eeuw leerden de Spanjaarden uit vlas papier vervaardigen, wat weldra meer algemeen werd. Iets later werden in de Nederlanden linnen en lijnolie voor het vervaardigen van schilderijen gebruikt. Tegen het einde der 18de eeuw trad vermindering der vlascultuur en industrie in door de ontwikkeling der katoennijverheid. Slechts Nederland, België, Westphalen #n Silezië bleven de oude linnen-industrie getrouw. De geringere vooruitgang der linnen- in vergelijking met de katoennijverheid ligt in ae grootere moeilijkheden, die de eerste in de techniek heeft te overwinnen.

De vezel van den vlasstengel vindt nog heden ten dage een uitgebreide aanwending in de vervaardiging van linnen garens en weefsels. De fijnste vezel wordt gebruikt voor de kantindustrie en wordt gewonnen door het gewas dicht te zaaien, sterk te bemesten om een lange vezel te verkrijgen en door vroeg — kort na het afbloeien — te oogsten. Van de vezel wordt ook het beste papier vervaardigd. In enkele streken treedt de zaadwinning op den voorgrond, o. a. in de Russische Oostzeeprovinciën, die als leveranciers van zaailijnzaad optreden. Van het zaad wordt üjnolie gewonnen, dat thans een veelziidie gebruik vindt in de industrie.

Het restant der oliewinning is de lijnkoek of het lijnmeel, die gezochte veevoedermiddelen zijn.

Door het vlas worden geen hooge eischen aan het klimaat gesteld. Het gedijt echter het best in een eenigszins voch tig en koel klimaat en levert dan ook de sterkste en zachtste vezel. Onder invloed van het zeeklimaat vooral wordt in de Russische Oostzeeprovinciën, België, Nederland en in 't bijzonder in Ierland het beste vlas geproduceerd. In goeden cultuurtoestand verkeerende zavel- en leemgronden zijn voor de vlascultuur het meest geschikt. Vlas wordt bij voorkeur verbouwd na haver, die op klaver volgt, en na tarwe. Op vlas kunnen zeer goed volgen witte klaver, tarwe, rogge en haver. Ook wel karwij en boonen. Wegens gevaar voor „brand" kan bet vlas in het algemeen eerst na verloop van eenige jaren weer op hetzelfde perceel worden verbouwd. Het voor vlas bestemde land moet in goeden bemestingstoestand verkeeren en zoo noodig worden bemest met superphosphaat en in het voorjaar vóór of bij het zaaien met chilisalpeter. Het wordt na zorgvuldige reiniging van onkruid laat in den voorafgaanden herfst geploegd en in het volgende voorjaar door middel van egge en rol ondiep bewerkt, geëffend en fijn verkruimeld. Na het zaaien wordt het zaad zorgvuldig ingeegd en aangerold. Het wordt bijna zonder uitzondering in 't wild gezaaid, dikwijls uit de hand, maar bij voorkeur met een handzaaimachine, viool genoemd, in den regel in een hoeveèlheid van 2—2.6 H.L. p. H.A., meestal in de eerste helft van April. Na het opkomen wordt het meestal twee keer zorgvuldig gewied. Als vezelwinning het hoofddoel is, wordt

het vlas getrokken, zoodra de bladeren halverwege den stengel gemakkelijk loslaten. Treedt de vezelwinning minder op den voorgrond en wordt meer prijs gesteld op goed ontwikkeld zaad, dan wordt getrokken, als de doosvruchten bruin beginnen te worden. Het trekken geschiedt soms in de eerste, in den regel in de tweede-helft van Juli. Daarna worden de schooven gebonden en in hokken gezet en na weinig dagen, als ze eenigermate zijn doorgedroogd, in hoopen of schelven— bij voorkeur op pyramiden of ruiters gezet, waarin ze zoo lang blijven staan, tot ze zoo droog zijn geworden, dat ze zonder gevaar voor bederf in de schuur kunnen worden geborgen. Soms wordt het vlas reeds op het land gerepeld, d.w.z. van de doosvruchten, den zoogenaamden knop, ontdaan. In den regel geschiedt dit in den loop van den opvolgenden winter. Bij het repelen worden kleine bundels vlas, die aan het voeteinde van den stengel worden vastgegrepen met de topeinden door een op de repelbank bevestigden ijzeren kam gehaald, waarbij de doosvruchten ais het ware worden afgekamd. De afgescheurde vruchten worden daarna gedorschen voor winning van het zaad, dat den naam draagt van lijnzaad. De opbrengst aan vlasstengel — gerepeld vlas — wisselt in den regel van 3 000—5 000 kg. en bedraagt gemiddeld 4 000 kg. p. H.A. Daarvan kan gemiddeld 20% aan vezel — gezwingeld vlas — worden gewonnen. De zaadopbrengst variëert meest van 8—16 H.L. p. H.A. Het H.L.gewicht bedraagt omstreeks 70 k.g.

Mekten en oesciiaaiginyen. neu vias wuiuu u.». aangetast door „brand" veroorzaakt door de zwam, Asterocystis radicis de Wild', door „koude brand ', „versterf" of „doode harrel", veroorzaakt door de zwam, Phoma herbarum Westd; door vlasroest (Melampsora Lini Wtr.) en door warkruid (Cuscuta Epilinum Weihe.). Het wordt o.a. beschadigd door engerlingen, rituaal den, aardvlooien, aardrupsen, rupsen van den gammauil, rupsen van Sciaphila Wahlbomiana L. en van den vlasbladroller (Conchylis epiliana Zeil.)

Vlasfabricage. Na het repelen moet de vlasstengel verschillende chemische en mechanische processen ondergaan, om tot spinbaar vlas te worden verwerkt. Hij moet in de eerste plaats worden geroot. Dit heeft ten doel de in de schors liggende vezels, de bastvezels, waarom het te doen is, van de overige schorsdeelen en van het houtdeel van den stengel los te maken. Daarvoor moet het bindmateriaal, de pectose, worden opgelost of ontleed. De roting kan geschieden in dauw en in stilstaand stroomend of warm water. Bij het roten in stilstaand of vlietend water van gewone temperatuur wordt het vlas in de maanden April tot October gedurende omstreeks 10—15 dagen in het water ondergedompeld, om het aan de fermentatie te onderwerpen. Daarbij worden de samengepakte schooven belast met allerlei voorwerpen om ze onder water te brengen en te houden. In ZuidHolland en in sommige streken van België wordt daarvoor wel een laag slijk uit de slooten gebruikt. Daarbij neemt het vlas een blauwachtige tint aan en daarnaar wordt deze wijze van roting blauwr o t i n g genoemd. De roting in zacht stroomend water, witroting, wordt op groote schaal toegepast in de Lijs of Lije in België. Daar wordt de zoogenaamde Kortrijksche methode toegepast, waarbij

Sluiten