Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanhangsels, waarmede neus en ooren van deze dieren dikwijls zijn bedekt, hebben zij een vreemd, dikwijls afschrikwekkend voorkomen. Hun gebit vertoont overeenkomst met dat van de insekteneters, zij bezitten kleine snijtanden, groote hoektanden en overdekte kiezen met scherpe punten van glazuur. De orde wordt in 3 groepen verdeeld, n. 1. de vruchten etende vleermuizen, waartoe slechts één familie n. L die van de vliegende honden (pteropina) behoort, de bloedzuigende vleermuizen of bladneuzen (istiophora) en de gladneuzen (gymnorhim).

De vliegende honden, ook vliegende vossen geheeten, komen in vele opzichten met onze vleermuizen overeen, zij zijn echter veel grooter en hebben een minder vreemdsoortigen kop, die eenigszins op dien van een hond of een vos gelijkt. Zij hebben een korten staart, de staartvlieghuid is ineengekrompen tot een smal zoompje. Hun gezicht en hun reuk is zeer ontwikkeld; bananen, vijgen en druiven zijn hun liefste voedsel, zoodat zij in oofttuinen en wijnbergen veel schade kunnen aanbrengen. Ook eten zij wel insekten, vogels en visscheiï. Hun vleesch wordt gegeten. Zij klimmen en loopen tamelijk goed en schreeuwen veel. Deze dieren worden wel getemd. Ongeveer 50 soorten bewonen de bosschen van tropisch Afrika, Azië en Australië. De grootste is de kalong (zie aldaar). In Egypte en Nubië leeft de Egyptische vliegende hond (cynonyderis aegypliaeus), die een lichaamslengte van 16 cm. en een vlucht van 90 & 95 cm. bereikt. Tot de tweede groep behooren de vleermuizen, wier neus met een min of meer ontwikkeld, de neusgaten omsluitend vlies voorzien is. Is het volkomen ontwikkeld, dan bestaat het uit een hoefijzervormig stuk t i er ruwt pmiiyt >i.m\ in welks holte zich een tweede,

zadelvormig stuk (sella) bevindt, en daarboven heeft men een van onder breed, van boven lancetvormig uitloopend neusblad (prosthema). De hiertoe behoorende dieren leven in de heete en de gematigde streken van alle werelddeelen, zij voeden zich met iusecten en vruchten, maar zuigen ook wel bloed. Ze zijn verdeeld in 5 geslachten, en van deze bewonen de bladneuzen (Phyllostomatidae Wagn.) de warme gewesten der Nieuwe Wereld en de aldaar gelegen eilanden, waar zij zich ophouden in de bosschen in holle boomstammen.

De bloedzuigende vleermuizen vallen paarden, ezels, muildieren, runderen, hoenders en ook menschen aan, zij brengen deze een zeer kleine, ondiepe wonde toe en zuigen daaruit een weinig bloed. Hoe zij de wonde veroorzaken, is nog niet bekend. De grootste soprt, de vampier (Phyllostoma spectrum) leeft in Brazilië en Guyana, wordt 16 cm., lang en 70 cm. breed, heeft een dikken, langen kop met een vooruitstekenden snuit, groote, langwerpig ronde ooren, een klein, smal neusblaadje op een breede basis, twee groote, onbehaarde wratten op de onderlip en een gladde bovenlip. Zijn haar is donkerbruin, van onder geelachtig grijsbruin en de vlieghuid bruin. Hij leeft hoofdzakelijk van insekten en vruchten. Tengevolge van zijn terugstootend uiterlijk zijn er vele fabels over dit dier in omloop. Echter is het een van de onschadelijkste vleermuizen, waarvan niet bekend is, dat zij bloed zuigt. De Egyptische klapneus (Rhinopoma mierophyllum) is ongeveer 5 cm. lang met een nagenoeg even langen staart en een vlucht van 20 cm. Men vindt dit dier jn groote troepen in holen en puinhoopen, en waar¬

schijnlijk is daarvan de vleermuisguano afkomstig, In Europa heeft men de familie der Hoefijzerneuzen (Rhinolcrphidae Wagn.) met een sterk ontwikkeld neusaanhangsel, geen oorkleppen, een breede, vlieghuid en een zeer korten staart. De kleine Iwefijzerneus (R. hippoerepis is 6 cm. lang en 22 cm. breed, grijsachtig wit, leeft in grotten en bouwvallen, vertoont zich reeds vroeg in het voorjaar, vliegt eerst bij het vallen van den avond, leeft van insekten, maar zuigt ook bloed, bijv. van andere vleermuizen en duiven, en werpt gewoonlijk twee jongen. Meer bekend is de groote hoefijzerneus (R. jerrum equinum), die 9 cm. lang en meer dan 30 cm. breed wordt en van een zeer groot neusvlies en van tamelijk groote ooren voorzien is. Het mannetje is van boven ascligrauw en van onder lichtgrauw, het wijfje van boven licht roodbruin en van onder roodachtig grijs. Men vindt dit dier in Middel-Europa tot aan AÏgerië en den Libanon; het begeeft zich des zomers naar het gebergte, leeft gezellig, vertoont zich in het voorjaar in den avond en vliegt niet gemakkelijk en ook niet hoog.

De dieren, welke tot de derde groep, behooren, hebben geen bladvormig aanhangsel aan den neus,

maar steeds kleppen over ae ooren. iij zijn sb-ik verspreid, maar niet in koude gewesten, het meest in de zuidelijke landen, bewonen meestal donkere, eenzame plaatsen en verschuilen zich in het woud tusschen de bladeren, in holle boomen, kloven, gewelven, bouwvallen enz. Doorgaans leven zij gezellig en voegen zij zich bijeen tijdens den winterslaap, waarmede zij vroeg in den herfst een aanvang maken, om dien tot laat in het voorjaar uit te strekken. De meeste vliegen in de schemering en in de eerste uren van den nacht, rusten van den middernacht tot den morgen en gaan dan weder op de jacht. Zij vliegen met groote behendigheid en v eteu daardoor aan de roofvogels te ontsnappen. Ook klimmen zij zeer goed, maar loopen zeer gebrekkig. Zij eten alleen insekten, vooral nachtvlinders, eendaagsvliegen en kevers en maken zich verdienstelijk door een groot aantal van deze te verdelgen. Hun gezicht en reuk zijn weinig, maar hun gehoor en gevoel zeer sterk ontwikkeld. Zij werpen een of twee jongen, die aan de tepels hangen en zoo door de moeder in de vlucht worden medegevoerd. Ook worden zij licht tam. Van de drie familiëu dezer groep is die der Vespertilioniaae Wagn. de belangrijkste. De gewone oorvleermuis (plecotus auritus) is 8,4 cm. lang, 24 cm. breed en heeft ooren ter lengte van 3,5 cm. Zijn haar is grijsbruin, van onder iets lichter, het aangezicht tot aan den achterrand der neusholte heeft lange haren met lange, witte baardharen; de vlieghuid en ooren zijn grijsbruin. Men vindt dit dier in Europa tot 60° N. Br., in Noord-Afrika, West-Azië en Oost-Indië; het behoort bij ons tot de meest gewone soorten, leeft gaarne in de nabijheid van de woningen der menschen, vliegt des nachts nog laat en vrij hoog, maar niet zeer snel, vooral op open plekken in wouden, boomgaarden en lanen, en slaapt bij dag en in den winter in gebouwen en holle boomen. De vroegvliegende vledermuis (vesperugo noctula) wordt 11 cm. lang en 37,2 cm. breed, roodachtig bruin; de ooren en de vlieghuid zijn donkerbruin; hij komt voor in Europa, Azië en Afrika, vliegt hoog, vertoont zich dikwijls reeds eenige uren voor zonsondergang, verkeert meestal in de bosschen en dan alleen in de nabij-

Sluiten